De universiteit gaat ten onder aan excellentie

aes-logo-kleur-grootVanaf 2000 is de manier waarop universiteiten geld krijgen veranderd. Er gaat minder geld direct naar universiteiten en er wordt meer geld verdeeld via de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Dit komt vooral dankzij de zogeheten Vernieuwingsimpuls. Hiermee geeft NWO persoonsgebonden beurzen aan “talentvolle, creatieve onderzoekers”. De invoering was bedoeld om excellentie te stimuleren. De subsidies moesten het carrièreperspectief van jonge onderzoekers verbeteren en de bureaucratie tegengaan. In 2014 kunnen we de balans opmaken en stellen dat het tegenovergestelde is gebeurd.

Universiteiten kennen drie inkomensstromen. De eerste geldstroom is het geld dat universiteiten volgens een vaste rekensleutel direct van het ministerie krijgen. De derde geldstroom staat voor geld dat universiteiten zelf verdienen met contractonderwijs of –onderzoek, dus in opdracht van bedrijven. Daartussenin bestaat de tweede geldstroom: het geld dat van NWO of andere beursverstrekkende organisaties zoals de EU komt. Het gaat hier vrijwel altijd om competitieve rondes waarbij een uitgebreid onderzoeksvoorstel wordt beoordeeld.

Gejuich
Toenmalig minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Loek Hermans luidde in 1999 de noodklok. NRC Handelsblad schreef op 24 juni van dat jaar:

“Ook blijkt het volgens Hermans bij gebrek aan carrièreperspectief moeilijk om jong talent te laten doorstromen. Om alsnog een uitdagend onderzoeksklimaat te creëren, moeten de instellingen autonomer opereren en moet het langetermijngericht vernieuwend onderzoek meer armslag krijgen.”

Twee dagen later zei hij in dezelfde krant:

“Laat de onderzoeker onderzoeken. Val hem niet om de haverklap lastig met papieren, met bureaucratische rompslomp, maar geef hem de broodnodige creatieve ruimte. Dus: zelfregulering en meer autonomie bij de universiteiten. Het is niet de minister van wetenschapsbeleid die het onderzoek kan maken in dit land, aan centrale sturing heb ik geen behoefte.”

Het verschuiven van overheidsgeld van de eerste naar de tweede geldstroom werd door veel wetenschappers met applaus ontvangen. Het systeem is net als in de Angelsaksische wereld sterk gericht op individuen en dat werd gezien als een verbetering. Alles kwam te draaien om het belonen van excellente onderzoekers. Weg met de zesjescultuur! Wat steeds terugkeert in de (schamele) berichtgeving: een beter perspectief voor jonge onderzoekers, meer autonomie, minder bureaucratie.

Een beurs voor een beursaanvraag
Flash forward naar het nu. Beursaanvragen schrijven is een aparte taak geworden. Hoogleraren spenderen er een groot deel van hun tijd aan: tijd die niet gaat naar het daadwerkelijk doen van onderzoek. Uit een Australische studie blijkt dat medisch onderzoekers gemiddeld 38 werkdagen besteden aan één beursaanvraag. Nog geen kwart van hen krijgt uiteindelijk geld toegewezen.

De perversiteit daarvan wordt extra duidelijk als je je bedenkt dat er beurzen bestaan voor het schrijven van een beursaanvraag. Een wetenschapper krijgt dan geld zodat hij enige maanden kan besteden aan het maken van een onderzoeksopzet. Uiteraard biedt ook zo’n beurs geen garantie op het binnenhalen van geld. Anders gezegd: er is geen waarborg dat het voorgestelde onderzoek ook gedaan gaat worden.

Omdat er zo veel afhangt van deze financiering zijn er allerlei universitaire bureaus en functies in het leven geroepen die wetenschappers advies geven over de verschillende soorten subsidie en de voorwaarden waaraan een aanvraag moet voldoen. De administratieve lasten rondom beursaanvragen zijn dan ook gigantisch geworden.

Normaal arbeidsverband
De negatieve gevolgen van het systeem zijn inmiddels goed benoemd. Er zijn aanwijzingen dat deze manier van geld verdelen leidt tot verkeerde prikkels en fraude. Daarnaast zorgt dit systeem ervoor dat er minder replicatieonderzoek gedaan wordt: dat is immers niet vernieuwend en innovatie is een zwaarwegend criterium voor toekenning van beurzen. Deze toetssteen vreet zo aan de autonomie van wetenschappers. Er is bovendien een psychologische prijs: stress.

Hoe zit het met het ideaal van loopbaanperspectief? De afgelopen jaren is de arbeidspositie van wetenschappelijk personeel dramatisch verslechterd. We zijn de VS niet alleen gaan volgen in de nadruk op het individu, maar ook in hun HRM-beleid. Vaste contracten bestaan in de VS nauwelijks en de academische wereld week daarvan af. Tenure betekent dat je contract niet opgezegd kan worden zonder zwaarwegende reden – eigenlijk wat wij in Nederland dus een normaal arbeidsverband vinden. In de VS heeft slechts 24 procent van de academici tenure of uitzicht daarop.

Nederlandse universiteiten hebben tenure overgenomen. Een vast contract is de uitzondering geworden, de hoofdprijs, de heilige graal waar je dus niet op kunt rekenen. Je krijgt het alleen als je uitzonderlijk goed presteert en niet – zoals in andere sectoren en in eerdere tijden – als je gewoon goed je werk doet in je proefperiode. Bovendien beloven niet alle vacatures tenure bij voortreffelijk functioneren. Het binnenhalen van een excellente beurs van NWO of de EU is niet voldoende voor baanzekerheid. Dit heeft geleid tot een situatie waarin mensen jarenlang van aanstelling naar aanstelling zwerven in voortdurende onzekerheid of hun academische carrière wel levensvatbaar is.

Levenslang
Excellentie is een vaag begrip. Het lijkt op woorden als ambachtelijk en duurzaam – woorden die wel iets betekenen maar die dankzij misbruik door marketeers volkomen leeg zijn geworden. Nederlandse universiteiten bezwijken onder de papierlast van excellentie. Wetenschappers gaan eraan kapot.

Onlangs schreef het Platform Hervorming Nederlandse Universiteiten een ludieke prijsvraag uit: wie is het langst in tijdelijke dienst van een Nederlandse universiteit? Bovenaan staat nu iemand met 303 maanden. Dat is ruim 25 jaar.

Dit stuk verscheen als column op The Post Online.