Ook de hipster verliest

kasteelYoung Urban Professionals waren de hipsters van de jaren tachtig. Ze waren jong, stonden zich voor op hun ‘unieke’ smaak en wilden wonen op exclusieve plekken. Het waren de yuppen die in de jaren tachtig de Jordaan gentrificeerden: zij trokken de verloederde binnenstad in en maakten het tot de meest begerenswaardige plek om te wonen.

Na de Jordaan was het de beurt aan de Pijp. In korte tijd veranderde de wijk, met name de straten binnen de Ceintuurbaan-ring, in een paradijs voor hoogopgeleide tweeverdieners. Ooit was Kingfisher er het enige café zonder tafelkleedjes. Nu vind je overal vintage stoelen en bakstenen muren. Inmiddels gaan Oud-West en Oost voor de bijl. Daar eet je in ieder café dezelfde pulled pork van dezelfde zwartwitte menukaarten met dezelfde ‘bijzondere’ lettertypen. De schuld wordt toegeschreven aan hipsters en de monocultuur die zij brengen – een bepaalde vibe die moet lijken op Berlijn of een bepaalde feel die je moet herinneren aan Brooklyn.

Veryupping is een woord dat als synoniem wordt gebruikt van gentrificatie, en ook verhipstering duikt steeds vaker in die context op. Het laat zien dat ‘hipster’ allang niet meer slaat op een specifieke subcultuur, maar gebruikt wordt voor alles dat populair is; van veganistische foodtrucks tot bakfietsen. Er is daarbij een belangrijk verschil tussen de yup van de jaren tachtig en de hipster van nu. Jazeker, ze hebben gestudeerd (of studeren nog) en jazeker, status is belangrijk. Maar de yup had de moneys die de hipster ontbeert. In de analyses van gentrificatie in de media (zoals hier en hier) mis ik steevast één element: met hoeveel mensen woont deze nieuwe urban class in een huis?

Hipsters, als je ze zo wilt noemen, stuwen misschien de gentrificatie voort, maar ze zijn er niet de winnaars van. Yuppen konden zich een eigen plek veroorloven. Voor de jonge generatie die in de afgelopen jaren is afgestudeerd of binnenkort afstudeert is dat niet weggelegd. Bijna allemaal blijven ze in een studentenhuis wonen. Met een starterssalaris kan je de krankzinnig hoge kamerprijzen van 500 euro en meer opbrengen. Moeten ze hun huis uit, dan zoeken ze samen met werkende leeftijdsgenoten iets nieuws in de vrije sector. Facebook staat vol met oproepen aan zulke twintigers én dertigers, van journalisten tot docenten aan de universiteit, van designers tot strafadvocaten.

De mensen die ik het concept van de kamer zie ontstijgen, zijn zonder uitzondering stelletjes. Niet zelden spelen financiële overwegingen een rol. Liefde is belangrijk, maar het geldelijk voordeel prangender.

Deze huizendelende jongmensen hebben het niet zwaar. Ze zijn niet zielig. Het is zelfs best gezellig, zeggen ze me steeds. Zorgelijker is dat er voor nieuwe studenten geen kamer meer te vinden is en ze daarom langer onder moeders vleugels blijven. Urgenter is dat huishoudens met een laag inkomen – of dat nu gaat om gezinnen of vrienden – helemaal geen plek meer vinden in de stad. De onmogelijkheid om als afgestudeerde met een voltijds salaris zelfstandig in Amsterdam te kunnen wonen is evenwel onderdeel van hetzelfde probleem.

Deze column verscheen eerder in Folia.