Column voor de Balie: Waar zou je anders zijn

Linda Duits de balieGisteren stond er, in de rij bij de Etos, een meisje voor mij dat alleen een bh en een spijkerbroek aan had. ‘Eindelijk een einde aan de verpreutsing’ twitterde ik. Een van mijn volgers herkende het meisje – hoewel ik haar zonder hoofd had gefotografeerd. Het bleek een jonge, eigenzinnige, talentvolle stylist te zijn – een mode-icoon in wording. Precies het soort type dat we in Amsterdam graag hebben, het type waar we ons op voorstaan hier in Vrijstaat Amsterdam.

 

Bekijk de voordracht en het nagesprek (columntekst loopt door onder de video).

‘Alleen maar nette mensen’ kopte Het Parool, maar de krant portretteerde juist drie balsturige types. Drie mensen die zich niks aantrekken van normen en die gewoon lekker zichzelf zijn. Daarmee zit er een opmerkelijke tegenstelling in het artikel. Er wordt geklaagd dat je niet meer anders mag zijn door mensen die toch gewoon anders zijn. Stiekem ervaren ze helemaal niet zoveel problemen met hun afwijkende identiteit.

Voor journalisten en documentairemakers geldt de regel: als je het niet kan onderbouwen met cijfers, gooi je er een persoonlijke anekdote in en dan is het alsnog waar. Het meisje in bh in de Etos is dan voldoende om te betogen dat je in Amsterdam prima kan afwijken. Mijn lezing van het Parool-artikel staaft dat punt verder. Je kunt hier gewoon nog anders zijn.

Zo klinkt het allemaal aannemelijk, maar het is natuurlijk onzin. Ik ben dan ook geen journalist of documentairemaker. Eén meisje met maling aan moraal maakt nog geen nieuwe seksuele vrijheid. De strekking van ‘Alleen maar nette mensen’ was juist dat er te weinig eigenzinnige types zijn.

Maar ja, wat is te weinig en wat is genoeg? Wat ik te weinig vind, vindt iemand als Annabel Nanninga vrijwel zeker te veel. Willen we dit gesprek voeren dan moeten we niet kijken naar individuen, maar naar processen in de stad.

We kunnen objectief vaststellen dat het aantal kraakpanden is gedaald, en het aantal hotelkamers is gestegen. Het aantal darkrooms in de stad is drastisch afgenomen, terwijl het aantal ambachtelijke hamburgertenten dan weer is toegenomen. Er zijn steeds minder sociale huurwoningen, maar het aantal dancefestivals is ongekend hoog.

Dat is niet zomaar gebeurd. De gemeente heeft hier actief beleid op gevoerd: ze werd een ijverige handhaver van het landelijk Kraakverbod, ze stimuleerde het Amsterdamse nachtleven en liet de investeringen in sociale huur niet gelijklopen met de verkoop ervan aan de vrije markt. Dat zijn politieke keuzes die gunstig waren en gunstig zijn voor bepaalde groepen. Niet geheel ontoevallig zijn dat vooral burgers die wat beter in de beurs zitten.

We noemen hen: hoogopgeleide witte middenklasse-mensen. Zeg maar: mensen die op mij lijken, meestal heteroseksueel en tweeverdienend, mensen die de stad kapotmaken. Voor hen, voor ons, is Amsterdam een paradijs. Voor ons pakt alles goed uit.

Neem het Amsterdamse nachtbeleid. Clubs en andere horecaplekken konden pitchen om in aanmerking te komen voor een felbegeerde 24-uursvergunning. Dat lijkt eerlijk en egalitair. Maar pitchen is een typische vaardigheid waar hoogopgeleide witte middenklasse-mensen heel goed in zijn. Het gevolg is dat de plekken die een 24-uursvergunning kregen fantastisch zijn voor mensen zoals ik. In De School kan ik niet alleen bijzondere kunst kijken in het Kunstlokaal en dansen in de club, ik kan er ook heerlijk eten in het culinair hoogstaande restaurant. De mensen die daar om de hoek wonen hebben echter weinig op met video-art en viergangendiners van €44. ‘Buiten de ring’ is de speeltuin van de creatieve klasse die erop neerkijkt daar te wonen.

De paradox van Amsterdam is dat de gemeente weet dat zij, om mensen zoals ik te behouden, divers moet lijken. Ruimte moet geven aan subculturen, aan vrijplaatsen, aan experiment en het ontstijgen van de norm. Dus worden er zogeheten broedplaatsen aangewezen en huur ik hartje Jordaan voor een appel en een ei werkruimte in een pand met allemaal andere mediagerichte creatieve bedrijfjes.

Terwijl ik dit schrijf zit de prachtige binnenplaats waar ik op uitkijk vol met dezelfde types. Links op het terras van de yogaschool – ja, dat hoort er dus bij – zitten de vrouwen die blijkbaar overdag tijd hebben om eindeloos met een verse muntthee bij te kletsen; rechts zitten de werkenden met hun Apple-computers en avocadolunch. Dat zijn meestal mannen. Dit zijn de mensen die Amsterdam graag tot haar inwoners rekent, en om hen te pleasen moet de stad een dwars imago hebben. We eisen diversiteit, maar brengen zelf een opvallend eenzijdige monocultuur voort.

Tegelijkertijd zijn er allerlei groepen die zich niks aantrekken van gemeentebeleid. Kraken gaat door. Homo’s hebben nog steeds anonieme geile seks. Jongeren die in de buurt van De School wonen maken hun eigen subcultuur. Ze produceren muziek, hebben hun eigen taal en jagen met hun scooters andere bewoners van de stad de stuipen op het lijf. Ze lijken wat dat betreft precies op de nozems van de Nieuwedijk die Ed van der Elsken in 1960 fotografeerde.

Nostalgie is een bitch. Het verblindt ons. In 1960 was Amsterdam een gezapige burgerlijke stad waar geen reet te doen was – letterlijk, als homo had je hier niks te zoeken. In de jaren ’80 was het hier een slachtveld, met tanks op straat en knokploegen die krakers de tent uitramden. Bewoners klagen dat de huidige toeristenoverlast op de Haarlemmerstraat onhoudbaar is, maar zijn blijkbaar vergeten dat het daar toentertijd een komen en gaan was van junkies. Heroïne was een groot probleem. Criminaliteit was een groot probleem.  Woningnood was een groot probleem.

Amsterdam was desondanks toen de plek waar zij die afweken of wilden afwijken naartoe trokken, omdat ze LHBTQ of dromerig of rebels waren. Die plek is Amsterdam nog steeds. De RoXY was tof, maar dat is de Church ook. Het probleem van Amsterdam nu is dat de logica van het geld overheerst. Dat is erg en daar moeten we wat aan doen, want het zorgt voor ongelijkheid en homogenisering. Maar die nadruk op geld zal de instroom van ‘vluchtelingen’ gelukkig niet stoppen. Zij die zich in Nieuwegein, Nijkerk en Nunspeet gevangen voelen trekken nog steeds naar Amsterdam, de meeste vrije stad van het land.

In 1984 beklaagde Danny de Munk zich over poep op de stoep en haat in de straat. Tegelijkertijd zong hij, met een voor zijn leeftijd buitengewoon scherp inzicht: “maar wat moest je doen, als je Mokum niet had … Want je kan hier nog lachen, er is hier nog gein, ik zou echt niet weten waar ik liever zou zijn!”

Deze column werd geschreven voor en uitgesproken tijdens het Stadsgesprek in de Balie over Vrijstaat Amsterdam