Goede seks gaat niet altijd over liefde en tederheid

Eeuwenlang bepaalde de kerk wat goede seks was. De pastoor had weinig op met standjes en skills: intieme samenkomst moest gericht zijn op voortplanting. En dus mocht je niet masturberen of op een andere manier het zaad verspillen. Met de reformatie kwam er extra nadruk op de afwezigheid van genot. Seks hoor je niet voor de lol te doen.

In de twintigste eeuw zijn we ontkerkelijkt, maar er is veel van de christelijke moraal blijven hangen. De psychologie verpakte die in een nieuw jasje. Goede seks werd gezonde seks, seks waar je geen geestelijke deuken van oploopt. Niet geheel toevallig vinden psychologen vooral monogame seks gezond, waarbij vaginale penetratie geldt als de norm.

Alles wat daarvan afwijkt, wordt gepsychologiseerd en gepathologiseerd. Het bekendste voorbeeld is natuurlijk homoseksualiteit, dat pas in 1990 door de WHO van de International Classification of Diseases werd gehaald. Fetisjen – zoals een voorliefde voor voeten of rubber – worden nog steeds gezien als stoornis, net als voyeurisme en exhibitionisme. Dat worden ‘verstoorde componenten van menselijk verkeringsgedrag’ genoemd, wat zoveel betekent als ‘normale mensen doen dat niet’.

De Amerikaanse antropoloog Gayle Rubin heeft weinig op met de norm van de psychologie. Ze is een lesbienne die graag aan BDSM doet en zag lijdzaam aan hoe haar seksualiteit steeds als fout, vies en verdacht werd weggezet. Ze schreef daarom in 1982 het essay Thinking Sex: Notes for a Radical Theory of the Politics of Sexuality, waarin ze probeert een andere seksuele ethiek te formuleren.

 

Rubin haalt hard uit naar de psychologie. Van BDSM houden is helemaal geen teken van een zelfdestructieve persoonlijkheidsstoornis of van emotionele agressie. Seks hoeft niet altijd te gaan over liefde en tederheid. Het maakt niet uit welke handelingen je verricht, met speeltjes of zonder, in groepen of met z’n tweeën, of dat je er in enige vorm voor betaald wordt of niet. Als we nadenken over wat goede seks is, moet het volgens Rubin gaan over hoe partners elkaar behandelen: de inschikkelijkheid naar elkaar, de afwezigheid van dwang en vooral de kwantiteit en kwaliteit van het plezier dat ze elkaar geven.

We hebben niet geluisterd; we laten nog steeds autoriteiten voor ons vastleggen wat goed in bed is, en noemen seksuele handelingen die ons zelf niks lijken al snel walgelijk. Dit jaar werd dat pijnlijk duidelijk toen Patricia Paay publiekelijk beschimpt werd om wat ze deed op een (opzettelijk gelekte) sekstape. We zien het ook terug in het stigma op sekswerk, of in de afkeer van de leerboot tijdens de Canal Parade.

35 jaar later is Rubins idee nog steeds een radicale theorie, in plaats van een geaccepteerde praktijk.

Deze column verscheen op Brainwash