Hoe queer ons afhelpt van hokjesdenken over seksualiteit, identiteit en gender

keuze sign this way that wayVandaag is het coming out-dag. Allerlei organisaties en instellingen vieren het anders-zijn, door LHBT’ers in het zonnetje te zetten en ze zo zichtbaar te maken. Coming out-dag kan het makkelijker maken eindelijk de stap te zetten om je omgeving te vertellen dat je anders bent. Bovendien laat deze dag ons stilstaan bij de problemen die mensen ervaren als ze uit de kast komen. Homo- en bifobie behoren nog lang niet tot het verleden.

Eerder schreef ik hier dat uit de kast komen vooral fijn is voor hetero’s. Zij weten dan waar ze aan toe zijn en hun seksualiteit blijft de norm. Uit de kast komen gaat niet in tegen heteronormativiteit, maar bevestigt juist dat heteroseksualiteit gezien wordt als natuurlijk en vanzelfsprekend. Dat is vooral een conceptueel verhaal: onze maatschappij is nog lang niet zo ver dat het hetero-bastion omvergeworpen is.

Dat is wel het doel van een academische stroming binnen gender- en seksualiteitsstudies: queertheorie wil heteronormativiteit slopen. Aanhangers doen dat door identiteitscategorieën te bevragen. Ik ben vrouw omdat ik me geen man voel. Maar wat is vrouw-zijn eigenlijk? Zit er iets in mij, al voor mijn geboorte, dat maakt dat ik me zo voel? Of is die identiteit mij opgelegd vanaf mijn geboorte?

Queertheoretici verzetten zich tegen dichotomieën: het idee dat je óf het een, óf het ander bent en dat er geen ruimte daartussen zit. Dat is een constructie, want mensen die geboren worden met onduidelijke geslachtskenmerken worden kunstmatig in ofwel het ene, ofwel het andere hokje geplaatst. De natuur is niet binair, de mens doet slechts alsof dat zo is.

Dat oppositionele zien we ook terug bij seksualiteit: je bent of hetero, of homo. Dan is er een nog een soort derde hokje: biseksualiteit. Die groep wordt in onze cultuur onzichtbaar gemaakt en argwanend bekeken: biseksuelen zouden er nog niet over uit zijn dat ze eigenlijk of he of ho zijn. Homoseksualiteit en biseksualiteit worden beiden afgezet tegen heteroseksualiteit: je bent homo omdat je geen hetero bent. Eenmaal uit de kast dien je dat te blijven. Zo kent iedereen zijn plek.

Die hokjes beperken ons. Ze doen geen recht aan verschillen onderling, ze laten geen ruimte voor verandering en ze staan nog steeds in dienst van heteronormativiteit. Die schrijft namelijk voor dat iedereen ‘herkenbaar’ is: man/vrouw, hetero/homo. Zou dat ook anders kunnen? Het boegbeeld van queertheorie is de Amerikaanse filosoof Judith Butler. In haar boek Gender Trouble roept zij op om gender onleesbaar te maken. Ze bedoelt daarmee dat als we de codes van mannelijk en vrouwelijk door elkaar husselen – als we de grenzen tussen de hokjes zo vervagen – je niet meer kan zien wie in het ene vakje of in het andere vakje zit.

Zeggen dat je queer bent, betekent dat je je afzet tegen de automatische pijltjes tussen sekse, genderidentiteit, genderexpressie en seksueel verlangen. Het betekent dat je je afzet tegen traditionele genderrollen en dat je je afzet tegen seksualiteiten als tegengesteld. Queer is daarmee niet zozeer een identiteit als wel een manier om te laten zien dat je droomt van een wereld waarin dichotome identiteiten en de sociale ongelijkheden die daaruit voortkomen historische artefacten zijn.

Deze column verscheen eerder op Brainwash.