Politiek hoort serieus te zijn en televisie is een luchtig medium. Een veelgehoorde klacht over politici op televisie is daarom dat tv de politiek verpopulariseert. Maar klopt die beschuldiging wel? Rosa van Santen promoveert vandaag op onderzoek naar 50 jaar politieke informatie op televisie. Dat kan dus gaan over het nieuws, maar ook over een politicus in Dit Was Het Nieuws. Haar centrale vraag was: welke vormen van popularisering en personalisering kunnen worden geïdentificeerd sinds het begin van de Nederlandse televisiejournalistiek in 1956, en aan welke karakteristieken van politieke en mediacultuur kunnen zij worden toegeschreven?

Definities
Allereerst wilde Van Santen duidelijk hebben wat er verstaan wordt onder popularisering en personalisering. De wetenschappelijke literatuur bespreekt onder deze paraplu verschillende fenomenen vanuit verschillende perspectieven. ‘Tabloidization’ verwijst naar een journalistieke invalshoek; ‘medialogica’ kijkt naar impact rond verkiezingen; en ‘populaire cultuur’ naar de benadering van het stimuleren van politieke participatie door politiek en vermaak te mengen. Samen genomen gaat de term popularisering over de combinatie van populaire onderwerpen, verhaalstructuren, audiovisuele middelen en participatieve elementen.

Personalisering wordt vaak als negatief gezien omdat een focus op de persoon zou impliceren dat er minder of geen aandacht meer is voor de inhoud. Van Santen onderscheidt drie vormen in de literatuur. Individualisatie gaat over een focus op de kenmerken en vaardigheden van individuele politici; privatisering verwijst naar aandacht voor privélevens; en emotionalisering is de nadruk op emoties en gevoelens van politici.

Minder zendtijd voor vermaak
Centraal in de debatten over popularisering is het idee dat het erger is geworden. Daarom heeft Van Santen een historische inhoudsanalyse gedaan van de totale uitzendtijd 1956-2006. In totaal zijn 750.000 programma’s gecodeerd als zware informatie, infotainment of entertainment. Om de resultaten te begrijpen onderscheidt Van Santen drie periodes in onze televisiegeschiedenis. Haar bevindingen zijn opmerkelijk.

De eerste periode is die van partizaanlogica. Televisie was een nieuw medium en partijen hadden directe toegang tot de media. In deze tijd was het aandeel entertainment het hoogst. De tweede fase is die van publieke logica. Vanaf eind jaren ’60 professionaliseert de journalistiek en komt er een tweede kanaal. Dit is de glorietijd van politieke communicatie en er wordt dan meer tijd dan ooit besteed aan informatie. Midden jaren ’90 start de periode van medialogica die gekenmerkt wordt door sterke competitie tussen zowel journalisten als politici. Opvallend is dat het aandeel entertainment daalt en dat er meer infotainment komt. Ook het aandeel informatie neemt toe, onder andere omdat er meer nieuws uitgezonden wordt door de komst van de commerciëlen.

In tegenstelling tot wat veel mensen denken is het aandeel zendtijd dat aan vermaak wordt besteed dus gedaald en is de zendtijd voor informatieve programma’s daarentegen toegenomen. Dit onverwachte resultaat is wellicht te wijten aan dat informatieve programma’s minder op primetime te zien zijn waardoor hun aanwezigheid wellicht minder opgemerkt wordt.

Geen historische trend
Om te analyseren of de inhoud van informatieve programma’s misschien gepopulariseerd is, heeft Van Santen vervolgens een kwalitatieve inhoudsanalyse gedaan van Brandpunt, dat van 1960 tot 1996 werd uitgezonden. Opnieuw constateert Van Santen geen aanwijzingen voor popularisering. Er is bijvoorbeeld wel veel aandacht voor human interest, maar dat verhevigt niet in de loop der tijd. Er vindt een professionalisering van inzet van audiovisuele middelen plaats, maar deze technologische vooruitgang kan niet zomaar popularisering genoemd worden.

Personalisering is onderzocht door televisieportretten van politici (zoals Markant, In De Hoofdrol en Paul Rosenmuller en …) kwalitatief te analyseren. Drie zaken vallen op. Emotionele, individuele en privéverhalen maken al vanaf het begin deel uit van biografieën, maar vroeger werden zulke portretten alleen van gepensioneerde politici gemaakt. Ten tweede is het genre veranderd: er worden nu verschillende locaties en meer entertainment-elementen gebruikt. Tot slot is tegenwoordig de interviewer meer aanwezig en is de toon informeler. Van Santen concludeert dat personalisering een historische constante is in zulke portretten en dat deze personalisering niet ten koste is gegaan van aandacht voor politieke informatie.

De inzichten van Van Santen staan haaks op algemene ideeën over popularisering en personalisering. Om hierop te reflecteren hield ze interviews waarin ze haar onderzoeksresultaten besprak met 21 (voormalig) politici, journalisten en andere deskundigen. Deze respondenten maken geen duidelijk onderscheid tussen popularisering en personalisering, al vinden ze personalisering minder erg dan popularisering. Aandacht voor personen zien ze als een logische consequentie van de dominantie van partijleiders. Popularisering zien ze vooral als symptoom van de kloof tussen burger en politiek waardoor het noodzakelijk is kwesties begrijpelijk dichtbij de burger te brengen. Vrijwel alle respondenten waren het erover eens dat de kwaliteit van politieke tv in Nederland goed is.

Van Santen concludeert dat het aantal informatieve programma’s is toegenomen, dat de aard van onze Publieke Omroep processen van popularisering heeft beperkt en dat er niets mis is met de kwaliteit van politieke televisiejournalistiek. Ze merkt op – en dat is cruciaal – dat het in de discussie over popularisering en personalisering eigenlijk altijd gaat over de toekomst: vroeger was alles beter, nu is alles okay, maar wat nou als … Van Santen richt zich tot slot tot de bezorgden. Haar boodschap is helder: de kritiek op niet-inhoudelijke, platte en/of emotionele politieke televisie is te breed en te vaag. Voorspellingen over een toekomst waarin die popularisering wél toe zou slaan zijn op basis van het gedegen, historische onderzoek van Van Santen ongegrond.