Gezocht: een nieuw, fris internet

web 2.0Weten jullie het nog, Twitter vroeger? Hoe gezellig het was? Hoe we grapten om Jeroen Mirck die zei dat Twitter geen reclamezuil was? Hoe het groot nieuws was toen Ashton Kutcher als eerste een miljoen volgers had? “Twitteren betekent kwetteren, het logo van Twitter is daarom een klein vogeltje” schreven kranten er toen nog bij. De belofte was dat de lijnen korter werden, dat fans direct in contact konden komen met hun idolen, dat politici direct met kiezers konden kletsen. Vijf jaar later ligt die droom in duigen: accounts worden bijgehouden door assistenten en ingezet om reclameboodschappen ouderwets te zenden.

Endorsement by assistent
Fans willen graag dichtbij hun idool zijn. Ze willen zoveel mogelijk de persoon achter de persona leren kennen, de mens achter het imago. Twitter leek een uitstekende dienst om die backstage-toegang te verschaffen. Kutcher had ook daadwerkelijk contact met zijn fans. Toen in 2009 duidelijk werd dat 50 Cent niet zelf twitterde, was dat een schandaaltje. Inmiddels weten we dat tweets van celebs de uitzondering zijn. Hun accounts worden ‘bijgehouden’ door assistenten. Dat is raar, want zo veel moeite kost Twitter nu ook weer niet.

Maar waarom zouden ze? In den beginne gebruikten beroemdheden Twitter al voor zelfpromotie, ondanks het verbod van Mirck. Er moesten platen, films en parfums verkocht worden. Daarna ontdekten ze dat je natuurlijk ook gewoon monies kunt maken door andermans producten aan te bevelen. Celebrity endorsement heet dat, en het is bijzonder lucratief. In 2010 vingen de Kardashians $10.000 per tweet. Die tweets ga je natuurlijk niet zelf intypen, dat laat je doen. Dat is overigens niet zonder risico, want Kim, Kourtney en Khloe kregen een rechtszaak aan hun broek (voor de echt geïnteresseerden: een juridisch paper over wat wel en niet mag in de VS).

Gevoel geven
Politici willen graag dichterbij de burger staan. Sociale media zouden wel eens de befaamde kloof kunnen overbruggen. Teruglopende ledenaantallen duiden op een gebrekkig contact met de achterban en Twitter zou een manier zijn om in contact te komen met de alsmaar mondigere burger. Inmiddels weten we uit onderzoek dat dat niet zo werkt. Chris Aalberts en Maurits Kreijveldt lieten in hun boek Veel gekwetter, weinig wol(2011)zien dat politici nauwelijks gebruik maken van de interactieve mogelijkheden van sociale media.

Onderzoek van Todd Graham schetst een iets beter beeld. Volgens hem doen Nederlandse politici het beter dan hun Britse collega’s. Bijna de helft van de tweets van Nederlandse politici bevat een mention, tegenover 32 procent bij de Britten. Ruim zestig procent van die gesprekken is met een burger. Dat is hoopgevend, maar zijn het wel de politici die ze voeren? Van een voormalig stagiair bij D66 weet ik dat in 2004 twee mensen voltijds bezig waren met uit naam van Kamerleden mailtjes beantwoorden. Het is waarschijnlijk dat ze er nu de social-accounts bij doen. Dit past bij een zorgwekkend inzicht van Aalberts en Kreijveldt: de geïnterviewde politici gaven aan niet blij te zijn met alle reacties. Ze willen wel dat burgers het gevoel hebben dat er naar ze geluisterd wordt, maar ze kunnen niet daadwerkelijk naar hen luisteren. Om die illusie te bewerkstelligen, huur je mensen in.

Ouderwets
Volgens bedenker Tim O’Reilly verwijst de term web 2.0 niet alleen naar technologische verbeteringen van het internet, maar ook naar de veranderde manier waarop mensen het web gebruiken. Daar zaten idealen achter: meer interactie, meer conversatie, meer macht voor de burger/lezer/klant/etc. We zijn inmiddels tien jaar verder en leven op een internet dat steeds meer lijkt op de oude massamedia, waar grote, gecentraliseerde bedrijven geld verdienen met het uitbuiten van dromen. Web 2.0 blijkt een kat in de zak. Het is tijd voor een nieuw web, met een nieuwe kekke naam als het even kan. Het is tijd voor nieuwe idealen bij nieuwe technologieën, over wat het internet wil en kan zijn.

Dit stuk verscheen als column op The Post Online.