Van wie is het Maagdenhuis?

VoteTijdens de Koude Oorlog noemden zowel de Sovjets als de Amerikanen hun systeem ‘democratie’.  Het volk was soeverein. Beide landen waren het erover eens dat dat de leidende waarde van staatsinrichting moest zijn. Vervolgens vulden ze ‘democratie’ beiden naar eigen inzicht in – waarbij in beide gevallen vooral de elite haar zakken vulde. 

Het volk hoort de baas te zijn, maar wie is het volk dan? Politicoloog Jan-Werner Müller laat zien dat iedere claim op ‘het volk’ niet alleen populistisch is, maar vooral anti-pluriform. Erdoğan, Farage en Trump claimen te spreken voor het volk, maar dat bestaat niet uit alle burgers. ‘Only some people are really “the people”’ vat Müller hun ideeën samen.

Volgens de populisten moet het volk gehoord worden en dat kan alleen door naar de populisten te luisteren. Populistische leiders leggen ‘het volk’ woorden in mond, waarbij dat volk een fictie is: een verzonnen homogene groep mensen die altijd rechtschapen zijn. De populisten claimen vervolgens puur de wil van die fictie te zullen uitvoeren – waarmee zij hun eigen rol als politiek leider uitgummen. Maar, zo waarschuwt Müller, er is natuurlijk helemaal geen enkelvoudige politieke wil.

Democratie is meer dan de wil van het volk. Democratie vereist instituties die zorgen dat kiezers geïnformeerd zijn en met elkaar van gedachten kunnen wisselen. Er moet bescherming zijn voor minderheden en andere mensen die afwijken. Populisten zijn dan ook niet democratisch: ze ageren tegen het maatschappelijk middenveld, bestrijden de vrije pers en trekken de rechtstaat in twijfel.

Ook aan de UvA zien we zulke claims op het volk. Ook aan de UvA zijn er mensen die klagen dat ‘de zwijgende meerderheid’ – waar zij uiteraard voor speken – niet gehoord wordt; mensen die fel tegen iedere vorm van bestuursvernieuwing zijn als die voorgesteld wordt door hun tegenstanders; mensen die Folia liever kwijt dan rijk zijn, ook al gebruiken ze de reactiepanelen veelvuldig. Net als bij Wilders, Roos en Baudet blijkt hun afkeer van pluriformiteit ook uit het seksisme en racisme waarmee ze hun argumenten kracht proberen bij te zetten.

Zoals de burgers van een land is de academische gemeenschap van de UvA verdeeld over de problemen die er heersen en de manieren waarop die problemen mogelijk opgelost kunnen worden. Dat gaat gepaard met verschillende emoties. De discussie over decentralisering kan dan ook niet los worden gezien van de discussie over diversiteit. De vraag ‘hoe de UvA te besturen’ is altijd een vraag ‘wie is de UvA?’ Het antwoord daarop mag nooit van één groep komen. Laat je horen dus, en – de les uit de VS – ga vooral stemmen.

 Deze column verscheen eerder in Folia.