Streng op papier

spellingBij het Utrechtse departement waar ik werkte zijn ze streng op taal. Correct taalgebruik is er een formele randvoorwaarde, samen met verwijzen volgens de regels. Als een paper of scriptie daar niet aan voldoet, wordt het niet nagekeken maar teruggestuurd.

De voorwaarde is bedoeld om af te dwingen dat studenten zorgvuldig schrijven – of liever, om te voorkomen dat visitatiecommissies gaan mopperen over slechte kwaliteit van het schrijfwerk. Ondertussen is het bijbrengen van taal geen voorgeschreven taak van de docenten: het betreft namelijk geen taalopleiding.

Linguïst Marc van Oostendorp schreef onlangs een column voor Vox over taalverantwoordelijkheid. Hij legde uit dat aan Vlaamse universiteiten alle docenten van alle opleidingen dienen bij te dragen aan het taalniveau van studenten. ‘Daar is het doel (…) dat het taalgebruik van de student op het niveau gebracht wordt dat van een specialist in dat vak verwacht mag worden.’

Ik vraag me dan direct af of er verschillende niveaus voor verschillende vakken gelden – mogen neuropsychologen bijvoorbeeld wel dt-fouten maken maar classici niet? – maar verder het lijkt me een logische verantwoordelijkheid. Als we ergens op beoordelen, is het niet meer dan vanzelfsprekend dat we daarin ook onderwijzen.

In Utrecht is dat niet zo. Ook Van Oostendorp haalt in zijn column collega’s aan die zich te goed voelen om uitleg te geven bij gemaakte fouten. In plaats daarvan wordt het probleem elders gelegd: door te klagen over het abominabele niveau van het voorbereidend onderwijs (inclusief een fikse dosis ‘vroeger was alles beter’) of door de student weg te wuiven naar externe bijspijkercursussen.

Ondertussen bestaan er geen heldere richtlijnen over wat correct taalgebruik inhoudt. Gaat het alleen om grammaticafouten of ook om spelfouten? Weten docenten eigenlijk zelf wel het verschil tussen die twee? En hoe ‘diep’ moeten we gaan? Vrij van dt-fouten lijkt me een minimale eis, maar zelf ik zoek regelmatig op of het nou hen of hun is na een voorzetsel. Over verbindingsstreepjes doe ik niet zo moeilijk, terwijl spatiefouten weer een persoonlijke pet peeve zijn.

Dat iedere docent daar anders mee omgaat wordt in Utrecht vooral duidelijk bij scripties. De tweede lezer kan dan betogen dat een scriptie niet aan de voorwaarden voldoet, terwijl de eerste lezer het zo wel prima vindt. Het leidde tot een principediscussie tussen mij en een collega: kunnen we een student laten zakken voor de scriptie op een criterium dat niet in de eindtermen van de opleiding staat en dat nooit is onderwezen?

De kwestie moest beslecht worden door een derde lezer, die de student liet zakken. Ze moest opnieuw beginnen, met een ander onderwerp, bij een andere begeleider met een andere tweede lezer. Die werden bewust gekozen uit een poel van gekende docenten die niet zo moeilijk doen over taal, want niet slagen is geen optie. Ze had nooit zo ver mogen komen, maar voor uitval was het te laat. De universiteit krijgt immers pas betaald bij het diploma. Dat ze toch moest herkansen was enkel en alleen om de procedures te bevredigen.

Er was een andere optie geweest, die ik niet durfde uit te spreken. We moedigen studenten vaak aan om hun werk na te laten lezen door iemand die goed is met taal en zo te leren van hun fouten. Deze student had dat natuurlijk ook kunnen doen, en om het zekere voor het onzekere te nemen had die ‘iemand’ een professioneel corrector kunnen zijn die door de student betaald werd. Niet de bedoeling, maar het had haar en de opleiding flink wat geld bespaard. Haar taalniveau was even bedenkelijk gebleven, maar de gevreesde visitatiecommissie zou niks door hebben gehad. En daar doen we het tenslotte allemaal voor, toch?

Deze column verscheen eerder op Folia.