Van oude mensae, de dingen, die voorbij gaan

lego romein centurionMopperend liep ik met mijn werkgroepdocenten over het Roeterseiland. Ik had voorgesteld te gaan lunchen in de mensa maar ze kenden dat woord niet. Het restaurant op de plek van de oude Agora heet tegenwoordig Food Court Gebouw H. Het verdwijnen van Latijnse termen is een teken van academische inflatie, reclameerde ik als de veertiger die ik ben.

Vroeger kreeg ik een tentamenbriefje met een judicium, en ik voelde me ver verheven boven het plebs dat niet wist wat dat was. In die tijd, jeweetwel: die goede oude, schamperden we om hbo’ers die zichzelf ‘student’ noemden. Aan een beroepsopleiding studeerde je niet, daar leerde je wat. Wij namen op ons beurt het woord leren niet in de mond voor onze eigen taken, die vonden we daarvoor te gewichtig.

Na mijn tijd raakte het onder UvA-studenten in de mode om zoveel mogelijk onacademische woorden te hanteren voor academische zaken, waarschijnlijk om docenten te zieken. Huiswerk, klas, leraar. De taal weerspiegelde de ontwaarding die gaande was; er moesten meer Nederlanders hoger opgeleid zijn. Toenmalig staatssecretaris Rutte besloot in 2005 dat de helft van de bevolking dat label moest krijgen. De doorstroom naar hbo en wo ‘verbeterde’ en het niveau van een graad kelderde.

Hbo- en mbo-student
Inmiddels is de term ‘hbo-student’ dermate ingeburgerd dat de mbo’ers zich gepasseerd voelen. Zij willen aanspraak kunnen maken op dezelfde voordelen als de rest, en zijn bovendien net als ik op die leeftijd statusgevoelig. En dus eisten ze onlangs een naamsverandering, waar minister Van Engelshoven zonder morren aan tegemoet kwam. Het kostte haar immers niks en het past goed in de lijn die Rutte in 2005 heeft ingezet.

Het lijkt een beetje op de functie-inflatie die gepaard gaat met het neoliberalisme. In de jaren tachtig werden werksters grappend ‘interieurverzorgsters’ genoemd om te bespotten hoe werknemers naar Amerikaans model hun functie pimpten. Zelfs in de laagste kantoorregionen geschiedde dat, van de office manager (een secretaresse) tot de corporate communication officer (medewerker bedrijfscommunicatie).

Pardon, zei ik ‘laagste’? Dat is niet netjes van mij. Met al die veranderingen werd gepoogd hiërarchieën tussen verschillende niveaus weg te poetsen.  Hiërarchieën die er natuurlijk niet van zijn weggegaan. ‘Onvrede over het L-woord’ schreef de Volkskrant deze zomer. De krant signaleerde een taalstrijd: er zijn mensen die vinden dat we in plaats van ‘lager opgeleid’ en ‘laaggeschoold’ beter ‘praktisch opgeleid’ zouden zeggen.

Taal
Ik ben een voorstander van inclusief taalgebruik en doe mijn best de termen te gebruiken waaraan de desbetreffende groep de voorkeur geeft. Taal is productief, weet ik als linksdraaiende poststructuralist. Zoals ik het met OneWorld eens ben dat ‘ongedocumenteerde’ beter is dan ‘illegaal’, zo vind ik het prima om voortaan ‘praktisch opgeleid’ te zeggen.

Problematisch is het wanneer taal verhult en de aandacht afleidt. Als taal maskeert dat het academisch niveau aanzienlijk is gedaald. Als taal verbloemt dat er een splitsing in de samenleving is ontstaan tussen opleidingsniveaus. En als taalveranderingen dienen als lokvogel, zoals in het geval van de mensa. Waar je daar vroeger goed en goedkoop at van borden die door studenten gespoeld werden en waar zo iedereen won, eet je in het tegenwoordige food court overpriced rommel die je niet kunt snijden met papierplastieken messen omdat de cateraar te beroerd is personeel te betalen. Met mijn gemor over de verandering van de lingua franca, zou ik bijkans voorbijgaan aan de werkelijk barbaarse praktijk.

Deze column verscheen eerder op Folia.