Homo- en vrouwenrechten: zo tolerant is Nederland écht

Onderstaande tekst sprak ik uit tijdens een Brainwash Talk. De video is hier te bekijken op de website van Brainwash.

Nederlandse vlagKennen je dat hitje uit de jaren 90 nog? Have you ever been mellow, van de Party Animals. Altijd als ik dat luister, en dat is best wel vaak, want ik heb het op mijn playlist staan, dan hoor ik niet have you ever been mellow, maar have you ever been modern. Zo klinkt het in mijn hoofd. Dat komt door een boek van de Franse socioloog Bruno Latour, We zijn nooit modern geweest, heet het. Dat hoor ik dus altijd terug: have we ever been modern? Ik wil het hier niet over het wetenschapsfilosofische verhaal van Latour hebben, maar over een essay met een vergelijkbare naam: Zijn we niet altijd al modern geweest? van socioloog Jan Willem Duyvendak.

Duyvendak stelt dat we in de Nederlandse nationale identiteit het idee van vooruitstrevendheid en van tolerantie omarmd hebben en onderdeel gemaakt van wie we zijn. Als je denkt aan wat Nederland is, denk je aan drie waarden: homorechten, vrouwenrechten en de scheiding van kerk en staat. Dat zijn de drie waarden waarvan ook gezegd wordt dat nieuwkomers ze moeten leren. Om Nederlander te worden, moet je deze drie waarden onderschrijven. Maar de vraag is: klopt het wel? We leggen ze aan anderen op, maar zijn we zelf wel zo modern?

Laten we beginnen met die scheiding tussen kerk en staat. Als mensen daar aan denken, dan denken ze bijna altijd aan het Franse model: laïcité, waarin een echt duidelijke scheiding is tussen kerk en staat. Je zult een Frans politicus niet snel met een kruisje of een keppeltje zien, of God horen aanroepen in een toespraak. In Nederland hebben we een ander systeem. Bij ons betekent de scheiding tussen kerk en staat dat de staat alle godsdiensten gelijk behandelt. Dat is zo vanwege de verzuiling. Er was hier een strijd tussen katholieken, protestanten, socialisten en een soort restzuil, die onder andere in 1917 werd beslecht met de invoering van de Schoolwet. Dat was het moment waarop de verzuiling geïnstitutionaliseerd werd. Dat wil zeggen: alle aspecten van het leven raakten verzuild.

Mijn moeder groeide op in de jaren 50: je had een katholieke voetbalclub, een katholieke concertvereniging, een katholieke fanfare, katholieke scholen, de katholieke krant, katholieke radio, et cetera. Mijn moeder sprak eigenlijk nooit protestanten. Ik hoorde dat in de jaren 80 en kende zo’n scheiding alleen van Noord-Ierland, ik vond het niet bij Nederland passen. Maar er zijn nog steeds restanten van de verzuiling zichtbaar. Je ziet ze in het omroepbestel, in politieke partijen. Ik was laatst op een promotieplechtigheid op een katholieke universiteit, althans, dat was het vroeger. Er werd vooraf en na afloop van de promotie gebeden. En de promovenda promoveerde in naam des Heren. Dus met die scheiding tussen kerk en staat valt het in Nederland wel mee.

Dan, als je het hebt over vrouwenrechten. Zo’n 100 jaar geleden waren we hartstikke verzuild en superconservatief. Dat duurde lang voort. Tot 1956 waren vrouwen in Nederland handelingsonbekwaam. Dat betekende dat als je als vrouw een wasmachine wilde kopen, je de handtekening van je man nodig had. Als je ging trouwen en je was in overheidsdienst, dan werd je ontslagen. Zo zat dat nou eenmaal. Als je voor een particulier bedrijf werkte, was dat niet verplicht, maar wel normaal. Een oude buurvrouw van mij werkte bij HEMA. Toen ze trouwde, was het gedaan met haar carrière. Daarop kwam de tweede feministische golf: Dolle Mina, blote buiken, baas in eigen buik… en veranderden er dingen.

Maar als we nu de balans opmaken en kijken hoe het staat met emancipatie van vrouwen in Nederland, dan doen we het eigenlijk niet zo goed. Veel vrouwen werken parttime in Nederland. Dat betekent dat ze op woensdagmiddag bij de yoga gezellig met hun vriendinnen kunnen kletsen. Het betekent ook dat veel vrouwen financieel niet onafhankelijk zijn. Daarnaast zien we dat de zorgtaken slecht verdeeld zijn. We hebben het fenomeen ‘papadag’, maar er is geen ‘mamadag’. Dus we vinden het blijkbaar heel bijzonder dat papa een dag vrij neemt om voor de kinderen te zorgen. Er wordt ook wel eens gezegd: papa past een dagje op. Alsof je op je eigen kinderen kunt passen. Alsof je een ingehuurde oppas bent. Je ziet ook dat in internationaal vergelijkend perspectief − je hebt daar allerlei indexen voor − Nederland het niet zo goed doet. Op de index van het World Economic Forum staan we al lang niet meer in de top 10. We stonden in 2016 op plek 16, maar inmiddels zijn we gekelederd naar plaats 32. Niet echt iets waarvan je denkt: dat hoort bij onze nationale identiteit, als zoveel landen je voor gaan. Met die vrouwenrechten zit het dus ook al niet zo lekker. Hoe komt het dat we dat dan toch zo zien?

Laat ik het eerst nog over die homorechten hebben. Die zijn ook verankerd in onze nationale identiteit. Maar ik zei het al: Nederland was vroeger een diepconservatief land. In 1911 kregen we een nieuwe zedelijkheidswet. En in die wet was eigenlijk onze eigen anti-homopropagandawet opgenomen. Bij anti-homopropaganda denk je aan Rusland of Oeganda. Maar ook wij hadden het, namelijk artikel 248bis van het Wetboek van Strafrecht. Dat artikel hield in dat er geen seks mocht zijn tussen meerderjarige en minderjarige mannen. En meerderjarig was 21 jaar of ouder. Voor hetero’s was dat overigens 16 jaar oud. Die wet werd vooral gebruikt om te monitoren, om te surveilleren. Er werd bij clubs en cafés gesurveilleerd. Er werden ingevallen gedaan, onder het mom dat er minderjarigen aanwezig konden zijn. De zedenpolitie hield een register bij van gekende homoseksuelen. Mensen werden verlinkt op hun werk, werden verlinkt bij familie. Die anti-homopropagandawet, dat artikel 248bis, werd pas in 1971 afgeschaft.

In 1971, de tijd van de seksuele revolutie. Toen kwam het allemaal goed, kun je denken. Nou ja, dat klopt wel een beetje. Vooral Amsterdam beleefde hoogtijdagen. De stad werd een toevluchtsoord voor mensen uit het buitenland. Amsterdam groeide uit tot de gay capital van de wereld. Dat culmineerde tijdens de Gay Games van 1998, toen Amsterdam roze kleurde. Wij waren het eerste land ter wereld dat het huwelijk openstelde voor mensen van hetzelfde geslacht, in 2001 gebeurde dat. Maar als je kijkt hoe we er nu in internationaal perspectief voor staan, dan zie je dat ook dat heel erg tegenvalt. In Nederland mogen bloedbanken homo’s uitsluiten vanwege hun seksuele oriëntatie. Je mag geen bloed geven als je homoseksueel bent, hoewel daar geen goede medische grond voor is. Die uitsluiting van mensen op basis van seksuele oriëntatie is niet per wet verboden. Het staat niet in onze grondwet.

En ook op andere terreinen zie je dat het geen pretje is. Homo is nog steeds het meest gebruikte scheldwoord onder jongens op school. We zien ook dat er nog steeds veel anti-homogeweld is. Er zijn rechters die zelfs in evidente gevallen dat niet op die manier willen bestraffen. Als je kijkt naar de Rainbow Index, een Europese index waarop landen worden gerangschikt op hun inzet en bescherming tegenover homo’s, lesbi’s en biseksuelen, dan zou je verwachten dat Nederland toch minstens in de top 3, 5 of 10 zou staan. Maar nee, we staan op plek 11. Hoe komt dat nou? Moeten we ons zorgen maken? Als dit onderdeel is van onze nationale identiteit, zouden we dan niet beter ons best moeten doen?

Ik denk dat we teveel op onze lauweren zijn gaan rusten. We waren er en toen dachten we: nu is het bereikt en nu is het wel goed. Bovendien zie je dat er sprake is van backlash, van terugslag. Dat gebeurde ook met de tweede feministische golf. Na de feministische golf was het idee dat feminisme heel belangrijk was geweest, maar dat het nu wel genoeg was. Dat soort stemmen hoor je nu ook als het gaat over rechten van LHBT+. Dan wordt er gezegd: homo-emancipatie is heel belangrijk, maar nu houden we erover op. Is die Gay Pride bijvoorbeeld nog wel nodig? Moeten we daar niet eens mee ophouden? Als jullie daarmee doorgaan, zo klinkt het dreigend op internet, verspelen jullie dat niet dat beetje tolerantie dat opgebouwd is? Backlash dus.

Ik denk dat we daarvoor waakzaam moeten zijn. Want dat betekent dat onze positie achteruit gaat. De vraag: zijn we ooit modern geweest? Have we ever been modern? Ja, ik denk het wel. Nou ja, misschien een tijdje. En toen dachten we: we hebben het goed gedaan. Nu kunnen we achterover leunen. En vervolgens komt er die backlash overheen. Dat zou wel eens kunnen verklaren waarom wij het helemaal niet zo goed doen, in vergelijking met andere landen. Eigenlijk, als we zo veel landen voor moeten laten gaan, hebben we helemaal geen recht op het opnemen van vrouwen- en homorechten in onze nationale identiteit. Have we ever been modern? Have you ever been mellow? De tweede regel van het liedje is: have you ever tried? Ik denk dat we het vroeger heel graag wilden proberen. En dat we vervolgens gestopt zijn met proberen.

Daar moeten we vanaf. We moeten het weer opnieuw gaan proberen. Ergens eind jaren 90 dachten we: met die gabbers is het nu goed geweest. Die beweging was leuk, een tijdje, maar nu is het klaar. Misschien hebben we op dezelfde manier over homorechten gedacht. Nu is het bij die gabbers misschien niet zo heel erg, maar als het gaat over zulke belangrijke waarden als seksuele diversiteit en seksuele vrijheid, over het recht om jezelf te kunnen zijn, dan moeten we het niet alleen proberen, we moeten het ook gewoon doen. Want als je een ding wilt opnemen in je nationale identiteit, dan is het voorloper zijn.

Deze column verscheen eerder op Brainwash.