De Evangelische Omroep heeft een moeizame verhouding met seks. Bij geen enkele omroep vind je zoveel seks als bij de evangelischen, al is de boodschap steeds dat je er beter verre van blijft. Je mag er wel van genieten, maar alleen binnen het huwelijk en zonder uitspattingen.

Dit voorjaar dook de EO in de porno. Voor het programma NieuwLicht werd een groot dossier aangelegd over de schadelijke gevolgen van pornografie. Naar goed journalistiek gebruik kwam er ook een buitenstaander aan het woord: ik. Ik had twee lange voorgesprekken met een redacteur, en een opname van meer dan een uur bij mij thuis. Een van de dingen die ik vertelde was dat christelijke mannen eerder zeggen pornoverslaafd te zijn. Zij zien hun consumptie sneller als problematisch dan bijvoorbeeld een seculiere man die regelmatig achter de laptop klimt om te masturberen.

Dat inzicht plezierde presentator Tijs van den Brink. Hij schreef er, los van het dossier, een column over. Daarin was hij verheugd over de problematisering van het eigen gedrag: dat christelijke mannen hun eigen porno kijken verwerpelijk vinden, was juist goed. Omdat het volgens hem ook verwerpelijk ís.

Evangelische christenen verzetten zich al sinds hun bestaan tegen pornografie. De manier waarop ze dat doen is wel veranderd. Socioloog Jeremy N. Thomas stelt bijvoorbeeld dat de afwijzing van pornografie in de VS tot de jaren 80 werd geformuleerd binnen een narratief van traditionele waarden. Lust, ontucht en overspel mogen niet van de bijbel. Pornografie bedreigt Gods plan, want het draagt bij aan promiscuïteit, echtscheiding en dus de ondergang van het klassieke gezin.

Dat verhaal maakte plaats voor wat hij een narratief van ‘personal‐viewer harm’ noemt. Het gaat niet meer om vage effecten, maar om persoonlijke, individuele schade. Vanuit de psychologie kwam er een golf aan antipornografie-onderzoek dat zich puur richt op negatieve effecten. Het startpunt is steeds obsessief of verslaafd kijkgedrag, dat zou leiden tot geestelijke gezondheidsproblemen zoals depressie, eenzaamheid, schaamte en angst, en problemen met de partner, zo schrijft Thomas.

Aan de hand van een inhoudsanalyse van het tijdschrift Christianity Today laat Thomas zien hoe zulk psychologisch onderzoek voet aan de grond krijgt, en dus hoe het narratief van persoonlijke schade opkomt en gaat domineren. Hij noemt dit een vorm van het outsourcen van morele autoriteit: niet de eigen, bijbelse waarden, maar seculiere, psychologische waarden worden ingezet om de antiporno-agenda te versterken. Dit is precies wat de EO ook doet in haar antiporno-dossier. De omroep kadert de zorgen niet als angst voor en afkeer van lust, maar toont zich begaan met verslaving, depressie en liegen tegen je partner.

Lange tijd was in het christendom de gedachte dat ‘Gods zaad’ niet verspild mocht worden. In Genesis 38:8–10 wordt Onan door God gedood omdat hij zijn sperma op de grond terecht liet komen. Deze ambiguïteit in de enige Bijbelpassage die mogelijk over masturbatie gaat, leidt er volgens socioloog Samuel L. Perry toe dat predikanten geen eenduidig antwoord hebben op de vraag of masturbatie toegestaan is. Perry deed onderzoek naar de opvattingen over porno en masturbatie van evangelische voorgangers en hun volgelingen. Hij citeert een doopsgezinde predikant:

‘I don’t know. I just don’t know . . . You know, did Jesus masturbate? I don’t know if anyone has even asked that question. He was a single guy that had to deal with his sexuality. We don’t have information [from the Bible] about how he dealt with it other than we know he dealt with it perfectly.’

Perry signaleert dat masturbatie geen ‘mobilizing grievance’ is (geen probleem waarmee je mensen op de been krijgt), terwijl pornografie dat wel is voor deze groep. Porno wordt helder en unaniem afgewezen, masturbatie niet. Dat is selectieve verontwaardiging, want masturbatie gaat ook over lust en is – zo kun je redeneren, al doet Perry dat niet – een vorm van overspel. Je hebt immers seks met een ander dan je partner.

Wat misschien wel meespeelt is dat dezelfde psychologie die zo hard tegen porno ingaat, masturbatie an sich niet bekritiseert. Het is lastig voor christenen om op het één de psychologen wel te volgen, en op het ander niet. Het is nu wachten op voortschrijdend inzicht van die tak van wetenschap. Dat christelijke mannen eerder zeggen pornoverslaafd te zijn, is een vingerwijzing. Want het is niet de pornoconsumptie, maar de reacties van de omgeving erop die maken dat iemand depressief, eenzaam, beschaamd en angstig is. Anders gezegd: porno kijken is niet verwerpelijk, maar porno afwijzen wel.

Deze column verscheen eerder op Brainwash.