Waarom witte mensen soms wel en vaker niet zwarte schrijvers kunnen interviewen

redactie New York Times krantMannelijkheid is een van mijn lievelingsonderwerpen. Het is een omvangrijk onderwerp, waar we te weinig over weten. De wetenschappelijke kennis die er is, vindt maar moeizaam zijn weg naar de media, wat het voor mij nog aantrekkelijker maakt erover te schrijven. Soms worden mannen dan boos. Ze vinden dat ik als vrouw niet gekwalificeerd ben om over mannen te schrijven.

Dit is een fundamentele kwestie in de sociale wetenschap, een vraag waar antropologie bijna aan onderdoor is gegaan: kun je een groep bestuderen waar jij niet toe behoort? Kunnen mensen uit die groep dat zelf niet veel beter? Het is een methodologische vraag die over subjectiviteit gaat: de invloed die je als persoon hebt op je onderzoeksresultaten.

In de natuurwetenschap maakt de identiteit van de onderzoeker weinig uit: of je nou als man of vrouw meet hoe snel een appel valt, de appel valt met dezelfde snelheid. In de sociale wetenschap is dat anders. Zo deed ik etnografisch veldwerk met meisjes van 11 tot 13 jaar. Een man had sowieso moeilijker toegang gekregen tot deze groep. Maar hij had waarschijnlijk ook andere observaties en interpretaties gedaan. Pure objectiviteit is bij zulk onderzoek niet mogelijk.

Ook in de journalistiek is identiteit van belang. De onderwerpen die een journalist pitcht komen voort uit interesse, en interesse is subjectief. Het soort vragen dat een journalist stelt is nooit neutraal en objectieve journalistiek is daarmee een onhaalbaar ideaal. Iemands subjectiviteit kan in de weg staan, zo wordt duidelijk in een essay dat Sabrine Ingabire schreef voor Dipsaus.

Privilege

Ze neemt een voorval rond Reni Eddo-Lodge als aanleiding om uit te leggen waarom witte mensen ongeschikt zijn om zwarte schrijvers te interviewen. Eddo-Lodge is de auteur van Why I’m No Longer Talking To White People About Race. De Volkskrant stuurde een witte journalist, die dermate impertinente vragen stelde dat Eddo-Lodge niet alleen dat vraaggesprek beëindigde, maar alle interviews afzegde.

Ingabire hekelt het privilege dat witte mannen bij kranten genieten en zet haar bezwaren helder uiteen. Ze beargumenteert waarom meer diversiteit op redacties belangrijk is. De kern van haar essay is dat ‘zwarte mensen beter in staat zijn om andere zwarte mensen te interviewen’.

Haar betoog werd, op zijn zachtst gezegd, niet goed ontvangen door witte mannen. Huis-bigot Sylvain Ephimenco deed in zijn column in Trouw een ‘wat je zegt ben jezelluf!’ en beschuldigde Ingabire ervan degene te zijn die racistisch is. Ze zou hebben gepleit voor ‘beroepsverbod voor blanke journalisten’. Als haar ‘neo-racisme’ geen halt toegeroepen wordt, komen we te leven in de ‘gesegregeerde en hatelijke hel waar mensen als Sabrine Ingabire van dromen’.

Ephimenco maakt een karikatuur van Ingabires betoog zodat hij het niet over de inhoud hoeft te hebben. Gelukkig is hij een oude man en is de toekomst niet aan hem. Het is cruciaal voor de journalistiek, als ze relevantie wil behouden in een veranderde samenleving, om te discussiëren over de invloed van je subjectpositie op het werk dat je aflevert. De debatten die daarover zijn en worden gevoerd in de sociale wetenschap kunnen daarbij helpen. Twee feministische denkers zijn vooral toepasbaar.

Genderstudies

Genderstudies ontstond uit onvrede met het mannelijk perspectief dat als objectief werd aangenomen. Vanaf het begin formuleerde genderstudies daarom kritiek op hoe we tot kennis komen. Filosoof Sandra Harding stelt dat kennis altijd sociaal gesitueerd is: je subjectpositie (je gender, je etniciteit, je klasse etc.) kleurt hoe je naar de wereld kijkt en wat je weet.

Onderzoek naar macht hoort volgens haar te gaan over gemarginaliseerde groepen. Zij zijn zich dankzij hun sociale situering namelijk eerder bewust van machtsgerelateerde zaken. Standpunt Theorie houdt in dat vrouwen beter in staat zijn de onderdrukking van vrouwen te onderzoeken dan mannen. Harding stelt dat via Standpunt Theorie kennis minder gekleurd is. Zo is objectiviteit toch mogelijk.

Dat gaat in tegen wat veel mensen geleerd hebben: afstand is beter, want dat maakt objectief. Maar afstand zorgt er volgens Harding voor dat je aspecten van onderdrukking over het hoofd ziet. Hoe meer afstand je hebt, hoe blinder je bent en dus hoe slechter je onderzoek.

Het idee dat een bepaalde groep objectiever is dan de rest, zal op menigeen vreemd overkomen. Toch denken we dat voortdurend. Keer op keer blijkt dat we – onbewust – mannen objectiever vinden. Toen bijvoorbeeld rechters allemaal mannen waren, klaagde niemand over partijdigheid. Nu het merendeel in Nederland uit vrouwen bestaat, zijn er ineens zorgen dat de objectiviteit van het recht in het geding is. Donna Haraway, gepromoveerd in de biologie, steekt de draak met zulke idiote ideeën van objectiviteit. Ze veegt de vloer aan met wat zij het ‘God-trucje’ noemt.

Sommige wetenschappers doen alsof zij alwetende vertellers zijn. Ze brengen kennis alsof zij vanuit het niets alles zien, alsof ze God zijn. Haraway betoogt dat het beter is als de ziener een lichaam heeft en het duidelijk is vanaf welke wolk hij of zij kijkt. Dat levert ‘meer verantwoordelijke kennis’ op. Onderzoekers moeten zichzelf dus zichtbaar maken en tonen vanuit welke positie zij kijken. Dat is altijd een machtspositie: wetenschap kunnen bedrijven is het resultaat van toegang tot een universiteit, van onderzoeksgeld. Haraways ideeën gelden dan ook niet alleen voor sociaalwetenschappers, maar voor alle academici.

Journalistiek

Die alwetende vertellers bestaan ook in de journalistiek. Te veel journalisten geloven nog steeds in de mogelijkheid van objectieve journalistiek en beschouwen zichzelf als neutraal. Daarom menen ze dat ze hun positie ten aanzien van de ander niet hoeven te bevragen en ontstaan situaties zoals met Reni Eddo-Lodge, of het interview dat Paul Witteman had met Gloria Wekker.

De God-waan van deze journalisten is zo mogelijk nog groter: zij zien ‘de lezer’ als hun evenbeeld. De vragen die zij stellen zijn de vragen die de lezer wil weten, en die lezer is in hun hoofd net zo neutraal (lees wit, man, cis, hetero en van een zekere klasse) als zijzelf. Ze verschuilen zich achter een onzichtbare lezer en weigeren zo nader verantwoordelijkheid te nemen.

De les voor journalistiek uit feministische epistemologie is dat journalisten zich bewust moeten zijn van hun subjectpositie ten aanzien van de persoon waarover ze schrijven. Die positie is het resultaat van hun identiteit en ervaringen, als subject in relatie tot anderen. Dat betekent niet dat alleen zwarte mensen zwarte schrijvers mogen interviewen. Dat zou essentialistisch zijn: het reduceert mensen tot een homogene groep die ze niet zijn. Je hoeft ook niet bepaalde ervaringen te hebben om die van een ander te begrijpen, al maakt dat het wel makkelijker.

Witte mensen kunnen best zwarte schrijvers interviewen, maar alleen als ze nagedacht hebben over ras, machtsverschillen, marginalisatie − en dus bereid zijn zichzelf te positioneren ten aanzien van de ander.

Passages uit dit stuk verschenen eerder in Dolle Mythes en op Twitter.

Deze column verscheen eerder op Brainwash.