De coronacrisis is als gemeenschappelijk liefdesverdriet

‘Het lijkt wel oorlog’, zeggen mensen. Maar ik weet niet hoe oorlog is. Als ik het ergens mee zouden moeten vergelijken, is het liefdesverdriet. Het fundament is onder onze voeten weggetrokken, en daarom voelt de coronacrisis als liefdesverdriet.

Als ik wakker word, ervaar ik een vervreemding die ik herken van de keren dat een geliefde me verliet. Eerst is er nog de warmte van slaap, maar na een paar seconden schiet het door mijn hoofd: ‘er was iets mis’. Dan: ‘oh ja, de wereld zoals hij was bestaat niet meer’.

Het neemt me volledig in beslag. Me concentreren op het boek dat ik aan het schrijven ben is onmogelijk, omdat mijn brein alleen maar bezig is grip te krijgen op de nieuwe realiteit. Als ik een serie kijk en personages elkaar zie kussen of aanraken, of samenklitten met meer dan 50 tegelijk, denk ik ‘wtf doen zij!’. Alle praatjes die ik aanknoop gaan over corona.

Maar net als bij een gebroken hart kan ik niets anders doen dan me naar de situatie schikken. Resistance is futile, weet deze geek na zich onezelig vaak te hebben gestoten. Je moet het over je heen laten komen en hopen dat je het overleeft. Die wijsheid bezit niet iedereen.

Net als op harteleed reageren we allemaal anders op de coronacrisis. Sommige mensen zijn in ontkenning, zoals de vele 70-plussers die ik overal op straat zie. Misschien hebben ze niet door dat de waarschuwing om binnen te blijven voor hen geldt, onwetend dat het virus ouderen disproportioneel doodt. Waarschijnlijker vinden ze het niet van toepassing, want kwieke zeventigers voelen zich immers zelden oud.

Een enkeling verzet zich tegen de nieuwe definitie van de situatie. Ik ken een jongen die, toen zijn vriendje het uitmaakte, gewoon ‘nee’ zei. ‘Nee, het is niet uit.’ ‘Nee, dit is geen pandemie met mogelijk fatale afloop.’ Vorige week bij de slager zei een man dat het allemaal massapaniek was, omdat zijn pakketje uit China wel gewoon was aangekomen. Bij deze categorie horen ook de dwazen die Covid-19 bagatelliseren als een griep of – nog erger – griepje.

Het wapen van veel lijders is de ellende te lijf gaan met analyse. In die valkuil trap ik zelf steeds met mijn minnepijn. Als ik maar genoeg lees over liefde en relaties, doet het minder zeer, houd ik mezelf dan voor. Dat verklaart waarom ons land tijdens deze crisis ineens vol blijkt te zijn met epidemiologen/virologen/personen die denken dat dat hetzelfde is. Ze zoeken houvast bij onderzoek waar ze verder geen verstand van hebben en zijn daarom selectief in de wetenschap die ze aanhalen. Ze willen niet accepteren wat iemand anders voor ze heeft besloten.

Misschien zijn er ook wel mensen die laconiek reageren. ‘Oh jij maakt het uit, nou ik wilde zelf ook al niet meer’. Gelukkig zie ik nergens burgers die zo onverschillig staan tegenover de drastische veranderingen in onze maatschappij. Het laat niemand koud.

In tegendeel, iedereen is erdoor geobsedeerd. En dat is een groot verschil met de rouw die je doormaakt na een verbroken relatie. Dan ben jij de enige die snakt naar breakup-verhalen van anderen, de enige die eindeloos naar Sinead O’Connor en Esther Perel luistert, de enige die over niets anders kan praten. Nu maken we het met z’n allen door. Voor mij maakt dat de berusting een stuk makkelijker. Anders dan met liefdesverdriet ben ik niet alleen, nu kunnen we samen wennen aan het nieuwe normaal.

Deze column verscheen eerder op Folia.