Corona maakt zichtbaar hoe onbelangrijk media zijn

netwerk digitale mediaHet leven op school is opmerkelijk low-tech, schreef ik in mijn proefschrift. Na acht maanden observaties in groep 8 constateerde ik dat internet een beperkte rol speelde in het dagelijks leven van wat toen de ‘internetgeneratie’ werd genoemd. Nu we dankzij corona allemaal thuiszitten en aangewezen zijn op online hulpmiddelen, wordt eveneens duidelijk hoe weinig digitaal ons alledaags leven eigenlijk is.

Nu sociale contacten bijna allemaal via HouseParty gaan, valt op hoeveel tijd we IRL met vrienden doorbrengen. Nu vergaderingen via videobellen lopen, hoe weinig ervaren collega’s daarmee zijn. Nu het land massaal thuiswerkt en netflixt, kraken de kabels en worden snelheden verlaagd. Zo vanzelfsprekend is het allemaal niet.

Van liefde in tijden van Tinder blijft niets over nu fysiek afspreken tegen de regels is. Fitnessen met YouTube-filmpjes is veel minder fijn dan naar de gym gaan. Ouders merken hoe voor hun kroost WhatsApp en Insta geen vervanging zijn voor vrienden op school, Zoom geen alternatief voor contact met de leraar en Animal Crossing geen substituut voor buitenspelen.

We leven in media, stelt hoogleraar Mark Deuze. ‘Media are to us as water is to fish’ schrijft hij in zijn boek Media Life (p. X). Ik ben het daar nooit mee eens geweest, want het is maar net hoe je kijkt. Natuurlijk zijn er media in het dagelijks leven van de kapper (de muziek die aanstaat), de cv-monteur (zijn iPad waarop je de werkbon aftekent) en de slager (de lichtkrant waarmee hij woensdag-gehaktdag aanprijst), maar het is nonsens om te zeggen dat hun leven doordrenkt is met media. Zelfs een zwaargebruiker als ik is weleens offline.

De coronacrisis laat ons zien wat we voorheen niet zagen, omdat we vastzitten (beter: -zaten) in wat Marshall McLuhan narcissus narcosis noemt, en waar Deuze zijn metafoor aan ontleend heeft:

‘a syndrome whereby man remains as unaware of the psychic and social effects of his new technology as a fish of the water it swims in. As a result, precisely at the point where a new media-induced environment becomes all pervasive and transmogrifies our sensory balance, it also becomes invisible’ (interview met Playboy uit 1969).

McLuhan heeft het over de invloed van technologie, maar je kunt dat ook omdraaien. We zijn juist zo ontzettend aan het nadenken over de rol van – met name digitale – media in ons leven dat we de momenten niet registreren waarop we er helemaal niet mee bezig zijn. Tenzij je acht maanden nauwgezet elk gebruik en elke vermelding van media in een klas bijhoudt, of drie weken gedwongen binnen zit en merkt wat je allemaal mist.

Deze column is geen normatieve duiding, geen oproep het analoge meer te koesteren of juist ‘screens’ uit te roepen tot winnaar, zoals The New York Times deze week deed. Ik heb weinig op met al die grote verhalen hoe we deze crisis moeten aangrijpen als periode van bezinning, ik geloof niet dat dit een herstart voor onze samenleving betekent of dat we er allemaal spiritueel geheeld uit gaan of uit zouden moeten komen.

In plaats daarvan wil ik de aandacht vestigen op de perspectiefwisseling die Covid-19 biedt. De coronacrisis vertraagt het leven en dat is inzichtelijk voor de observatoren van dat leven. Wetenschappers are gonna wetenschap en dus zie ik overal hun verwondering. Met mijn podcast Onder Mediadoctoren maken we daarom een speciale serie waarin we collega’s vragen naar wat hen deze dagen opvalt, wat ze nu zouden onderzoeken als ze alle tijd en geld hadden. Hun reflectie is een feestje dat me door de isolatie heentrekt. Een beetje verlichting nu ik zo opmerkzaam ben op alle dingen die ik niet mag.

Deze column verscheen eerder op Folia.