Wetenschap is geen mening, maar wetenschappers hebben wel meningen

Mag je wetenschap en mening mengen? Die vraag leg ik deelnemers aan mijn cursussen populairwetenschappelijk schrijven standaard voor. Hun antwoord is grotendeels afhankelijk van de discipline waarin ze zich bevinden. Ik kan de discussie ook anders aanvliegen: moeten wetenschappers zich bemoeien met de wereld? Dan zeggen ze vrijwel allemaal ja. Onderzoek doe je namelijk niet (alleen maar) om wetenschappelijke publicaties mee te vullen, je wilt ook dat jouw inzichten de wereld beter maken.

Geesteswetenschappers staan dichterbij de filosofie dan bèta-onderzoekers, en hebben daarom doorgaans meer nagedacht over wetenschapsfilosofische kwesties. Dat leidt ertoe dat zij andere antwoorden hebben op de vraag of objectieve kennis bestaat. Sociaalwetenschappers zijn soms zelf het meetapparaat: ze nemen interviews af en interpreteren data. Dat vraagt om meer reflectie op de rol van de wetenschapper dan bij scheikunde.

Het maakt deze disciplines ook meer ontvankelijk voor kritiek: omdat het geen ‘harde’ wetenschap is, zou het helemaal geen wetenschap zijn. Het verwijt is dan al snel dat je fopwetenschap bedrijft, dat je mening en feiten door elkaar haalt. Soms wordt dit in het politieke getrokken. Zo beschuldigt Forum voor Democratie universiteiten bolwerken van linkse indoctrinatie te zijn, een aantijging die op sociale media breed gesteund lijkt te worden.

Het maakt deelname aan publiek debat voor wetenschappers vermoeiend. Wanneer je veel verschijnt in de media, loop je bovendien het risico dat je collega’s op je neer kijken. Als je daar tijd voor maakt, ben je immers niet aan het publiceren in journals met een hoge impactfactor. Bovendien staat er dus een leger van leken klaar om je voor van alles uit te maken. Het is veel veiliger je gewoon terug te trekken in de ivoren toren en je op je onderzoek te richten.

Het probleem is alleen: wetenschappelijke kennis is niet alleen voor wetenschappers interessant en relevant. Historici vinden het belangrijk ‘het grote publiek’ kennis te laten nemen van onze geschiedenis, bijvoorbeeld om bloot te leggen hoe de geschiedenis verdraaid wordt voor ideologisch gewin. Sociologen willen hun onderzoeksinzichten delen omdat die kunnen bijdragen aan het bestrijden van ongelijkheid in het onderwijs of op de arbeidsmarkt. Virologen zien de interesse in hun vakgebied exponentieel toegenomen en leggen dolgraag uit hoe virussen zich verspreiden, om zo hopelijk te kunnen voorkomen dát virussen zich verspreiden.

Van deze drie voorbeelden klinken de eerste twee vast en zeker het meest politiek, maar achter alle drie schuilen opvattingen over wat een ‘goede wereld’ is. Wetenschap is daarom altijd politiek. De vragen die we stellen, ook die binnen sterrenkunde, moleculaire levenswetenschappen en informatica, moeten namelijk relevantie hebben.

Onderzoek wordt alleen gefinancierd als er nut in wordt gezien, en wat nuttig is, is een inherent politieke vraag. Voor het grote publiek is het minder zichtbaar of begrijpbaar welke theoretische of methodologische stammenstrijden er woekeren bij psychobiologie, maar dat betekent niet dat ze er niet zijn. Geen enkele discipline is monolithisch (nee, ook genderstudies niet), dat gaat immers tegen de aard van de wetenschap in.

Tegelijkertijd bestaat er iets dat we wetenschappelijke consensus noemen: er zijn binnen alle disciplines zaken waar wetenschappers het over eens zijn, ook bij wat gezien wordt als fopwetenschappen. Dat is soms lastig over te brengen aan dat ‘grote publiek’ omdat wetenschappers nogal eens benadrukken dat twijfel hun belangrijkste waarde is, of doordat we dwarsdenkers vereren, terwijl in werkelijkheid rebelse boegbeelden als Galilei en Darwin ook voortbouwden op het werk van anderen.

Omdat wetenschappers gedreven mensen zijn, vind je ze vaak terug op de opiniepagina’s van kranten. Dat maakt het natuurlijk extra verwarrend: de opiniebijlage is het domein van meningen, gescheiden van het wetenschappelijk katern. Horen wetenschappers daar wel thuis, dragen we niet bij aan de kwalijke opvatting dat wetenschap maar een mening is door zelf wetenschap en opinie te mengen?

In mijn cursussen maak ik graag een onderscheid tussen mening en opinie. Een mening is bijvoorbeeld dat blauw de mooiste kleur van de wereld is. Een opinie daarentegen is een onderbouwd betoog waarin je je lezers probeert te overtuigen dat jouw perspectief op een probleem het beste, meest waardevolle, etcetera, perspectief is. Wetenschappers hebben daarbij een voorsprong, omdat zij makkelijk toegang tot kennis hebben en dus tot stevige onderbouwing.

Hoogleraar wetenschapscommunicatie Marc van Oostendorp legt in deze video over opiniërend schrijven voor wetenschappers de nadruk op het verschil tussen beschrijven en voorschrijven, hoe de wereld is en hoe de wereld zou moeten zijn. Het eerste gaat puur over feiten, het tweede over waarden. Het is zowel technisch als ethisch belangrijk om die dingen uit elkaar te houden, zegt Van Oostendorp. Je betoog wordt er overtuigender van.

Het onderscheid tussen beschrijven en voorschrijven loopt voortdurend door elkaar wanneer wetenschappers het domein van de media betreden. Zuiver wetenschappelijke beschouwingen tref je daar zelden, ook niet in het wetenschapskatern. Media maken wetenschap aantrekkelijk juist door op waarden te gaan zitten. Kijk bijvoorbeeld eens naar de vragen die gesteld worden bij de Universiteit van Nederland: uit vrijwel alle titels van de video’s spreken (impliciete) waarden.

Tot zover was deze column beschrijvend. Hier komt de opinie.

We zouden er als wetenschappers goed aan doen om dat verschil explicieter te maken. Het is onzinnig om wetenschappers een mening te ontzeggen, want daarmee ontneem je ons ook onze drive om onderzoek te doen. Het is wel essentieel om de opvatting te bestrijden dat wetenschap maar een mening is, want daarmee sla je de grond onder de werkelijkheid weg.

Deze column verscheen eerder op Brainwash.