Mijn studenten hadden het niet door, maar ik voelde me betrapt. Bij de instructie voor peerfeedback spoorde ik ze aan zoveel mogelijk commentaar te geven: ‘Als je alleen maar zegt dat alles goed is, heeft de ander er weinig aan’. Ik voelde me betrapt, want bij mij zelf krijgen de beste studenten hierom steevast de minste aandacht.

De kortste nakijktijd zit op een goed paper. Een heldere inleiding die uitmondt in een zinnige onderzoeksvraag, een doorwrocht begrip van de belangrijkste theorieën, relevante extra literatuur gevonden. Een duidelijke conclusie die daadwerkelijk antwoord geeft op de vraag, met een bespreking van de implicaties daarvan, gevolgd door een literatuurlijst die op orde is. Tja, wat kan je daar nou over zeggen?

Aan slechte studenten daarentegen ben je veel tijd kwijt. Je kunt niet zomaar benoemen dat een onderzoeksvraag niet goed is, je moet uitleggen waarom. Suggesties doen en zaken nalopen. Het meest frustrerende hieraan is dat studenten feedback niet eens altijd lezen. In het predigitale tijdperk merkte je dat heel confronterend als papers niet opgehaald werden. Al dat extra werk voor niets.

Die disbalans tussen goede en slechte studenten voelt oneerlijk. Degenen die er veel moeite in hebben gestoken krijgen de minste moeite terug. Zouden de beste studenten niet ook de meeste aandacht moeten krijgen?

Zodra ik de vraag op die manier formuleer, moet ik denken aan mijn veldwerk. Ik observeerde in twee klassen, een in een achterstandswijk met wat nu kansarme kinderen heten, en eentje in een gegentrificeerde buurt waar alle ouders bij wijze van spreken arts, advocaat of kunstenaar waren. Op de moeilijke school stond een zij-instromer voor de groep met de beste bedoelingen, op de makkelijke school een doorgewinterde vakdidacticus.

Vaak vroeg ik me af hoeveel beter de kinderen op de eerste school zouden presteren als ze les kregen van de allerbeste docenten. Zij hebben het immers het hardst nodig. De docent van de tweede school merkte eens op dat zijn leerlingen ook zonder hem zouden kunnen. ‘Die komen er sowieso wel’, zei hij. De schoolpopulatie was in korte tijd veranderd, net als de buurt. Deze docent stapte niet over omdat hij bijna bij zijn pensioen was. Doodzonde vond ik het.

Slechte studenten bestaan natuurlijk eigenlijk niet. Je hebt lakse studenten en studenten met een lager niveau. Laksheid kan met van alles te maken hebben, van persoonlijke problemen tot verkeerde studiekeuze. Studenten met een lager niveau verdienen juist de aandacht van een docent, simpelweg om dezelfde reden dat kansarme scholieren het beste onderwijs zouden moeten krijgen. Bij die studenten valt ook veel te winnen: je kunt ze echt iets leren en studenten iets leren is wat doceren leuk maakt.

Toch blijft het knagen. Ik ga te raden bij pedagoog Pedro De Bruyckere. De kwestie doet hem denken aan een discussie die speelt in Vlaanderen. ‘Omwille van gelijke kansen is men de sterke leerlingen een stuk uit het oog verloren waardoor deze groep steeds kleiner is geworden’, schrijft hij me. De groep die excellent presteert wordt elke PISA-ronde kleiner. Dat is natuurlijk jammer, want je wilt die sterke leerlingen ook tot grote hoogten drijven.

Studenten zijn geen scholieren. De goede studenten, pardon, de sterke studenten hebben bijna allemaal een grote intrinsieke motivatie. Zij halen zelf het maximale uit hun studie. Dat betekent niet dat je niets voor ze kunt betekenen. Aanwijzen wat goed is, is immers ook feedback. Wat kun je zeggen over een goed paper? Nou, precies die dingen die ik aan het begin van deze column noemde.

De volgende keer zeg ik bij een peerfeedbackinstructie dus: als iemand alles perfect heeft gedaan, benoem dan al die punten specifiek en leg uit wat je er goed aan vindt. Ook goede studenten kan je verder versterken. Daar kunnen de zwakkeren zich vervolgens aan optrekken, en bovendien geeft het je het goede gevoel je werk te doen.

Deze column verscheen eerder in Folia