Een tikkeltje nerveus, zei ik tegen de portier. Eigenlijk was ik ronduit zenuwachtig. Dit weekend mochten de clubs weer open en ik kon het niet geloven. Zelfs toen ik binnen was, verwachtte ik dat de politie ieder moment een einde kwam maken aan het vertier. Na anderhalf jaar corona ben ik blijkbaar zo gefnuikt dat ik niet meer geloof dat de overheid mij ooit nog iets leuks toestaat.

Onwennig ging ik door de bewaking, onhandig stond ik bij de kluisjes. Hoe werkt dit ook alweer? Ondertussen was het feest in volle gang en leek het alsof de rest van het publiek al die tijd niets anders had gedaan. Tussen blije hoofden en zwetende lijven bewoog ik me richting links-voor.

Er stond me vaag nog iets bij van het concept ‘de club’, maar eenmaal terug op de vloer voelde ik het meteen weer. Ik wist wel dat ik klaar was met dansen met steeds dezelfde vrienden in iemands huiskamer, maar ik realiseerde me pas echt hoezeer ik de club had gemist toen ik er weer stond.

De vreugde van vreemden. De geur, de blik, de aanraking van vreemden. Vreemden waarmee je kunt kletsen en vreemden waarmee je kunt flirten. Vreemden, vooral, waarmee je kunt dansen. Mijn vrienden en ik speelden eindelijk een uitwedstrijd na zoveel oefenmatches zonder publiek.

Niet hopsen op hitjes of een oud setje van Soundcloud, maar vol gas gaan op een DJ die plaatjes kiezen als beroep heeft. Geen zorgen om onderburen ondanks mager geluid uit JBL-speakers, maar zorgen om je gehoor dankzij een snoeiharde bass die je in iedere vezel voelt. Niet afwisselen tussen woonkamer en keuken, maar verdwalen in zalen en gangetjes. Je teamgenoten appen omdat je ze kwijt bent. Zelfs van de vieze wc’s werd ik dolgelukkig.

Het verheugde me dat iedereen er was. De gelijkgestemden. Mensen die net als ik stilletjes stuk gingen onder de avondklok. Het kabinet heeft er alles aan gedaan om de scene kapot te maken en de komende tijd zal uitwijzen in hoeverre het daarin is geslaagd. De klappen zijn namelijk hard geweest.

Het al een tijdje demissionair kabinet rechts-met-de-kerk gaf en geeft niets om het nachtleven. De plotse opening in juni was dan ook meer niets dan een experiment met zachte vaccinatiedwang. The lord giveth and the lord taketh, en nog voor de clubs goed en wel een programmering en personeel hadden staan greep de regering de opleving van corona aan om het nachtleven tot nader order weer op slot te gooien.

Nu reken ik nergens meer op. Het kleinschalig festival waar ik drie weken geleden heen mocht werd een dag van tevoren afgelast. Toch geen vergunning, breek de boel maar weer af. Het is een smerige manier van omgaan met mensen, die we blijkbaar ergens normaal en acceptabel zijn gaan vinden. Dat is het niet, en dat mag het nooit zijn. Organisaties en bedrijven hebben recht op een betrouwbare overheid, ook als zij diensten aanbieden die die overheid frivool vindt.

Dat je nu als een soort Assepoester maar tot middernacht mag dansen, kan mijn pret evenwel niet drukken. Vroeger klaagde mijn moeder altijd dat ik van de dag een nacht maakte en ik ben daar nog immer bedreven in. Ik kan overdag ook feesten en blijkbaar heeft niemand Hugo de Jonge verteld dat het de 24 hour party people niet uitmaakt hoe laat het is. Mijn wantrouwen richting de overheid zorgt juist voor een 1999-gevoel, toen we op aanwijzing van Prince dansten alsof de wereld morgen zou stoppen. Dankbaar pak ik wat ik pakken kan.

Deze column verscheen eerder in Folia