Als seks niet interessant is
Als iets er niet is, hoe kun je het dan zichtbaar maken? Aseksualiteit verwijst naar het ontbreken van seksuele aantrekkingskracht. Mensen die aseksueel zijn, kiezen ervoor om geen seks te hebben. Omdat ze de behoefte daaraan niet zo voelen. Het bestaan van aseksualiteit is onderwerp van debat. Is het wel echt iets, hebben die mensen niet ‘gewoon’ een stoornis, moeten ze genezen worden?
Aseksuelen voelen soms wel seksuele opwinding, maar kiezen ervoor om daar niks mee te doen met een ander. Voor aseksuelen is seks niet interessant. Ze zien hun aseksualiteit dus ook niet als probleem dat opgelost moet worden. Dat neemt niet weg dat er intense sociale druk bestaat om wel seksueel te zijn. De rest van de mensheid is namelijk de hele dag met seks bezig. Sommige aseksuelen komen daarom uit de kast: als mensen weten dat je aseksueel bent, hoef je niet meer mee te lachen met grappen en hoef je niet meer te doen alsof.
Daarnaast komen mensen uit de kast om activistische redenen. Aseksualiteit is relatief nieuw, in de zin dat er pas kort over gesproken wordt. Hoe meer mensen openlijk aseksueel zijn, hoe meer zichtbaarheid en acceptatie er kan zijn, is de gedachte. In 2001 werd daartoe in Amerika het Asexual Visibility and Education Network (AVEN) opgericht.
Ook het onderzoek naar aseksualiteit is relatief nieuw. Onderzoekers hebben zich vooral gericht op hoe we aseksualiteit moeten zien. In een recente reviewstudie in Archives of Sexual Behavior wordt onderzoek samengevat. De auteurs wijzen aseksualiteit als een stoornis af. Psychiatrische problemen komen wel veel voor onder aseksuelen, maar dat komt omdat ze veel stigma ervaren. We zien dat ook onder holebi’s: ook zij ervaren depressie, eenzaamheid en verdriet vanwege discriminatie.
Aseksualiteit is ook geen seksuele stoornis. Het kan niet verholpen worden met therapie. Mensen met een seksuele stoornis hebben vaker relaties, masturberen meer en hebben vaker seksuele fantasieën dan aseksuelen. Tot slot is aseksualiteit ook geen parafilie: een atypische seksuele aantrekking, zoals een fetisj. Sommige aseksuelen beleven een ‘identiteitsloze seksualiteit’ en dat kan gezien worden als parafilie, maar meer onderzoek is nodig.
Er zijn overeenkomsten tussen holebi’s en aseksuelen. Zo geven aseksuelen bijvoorbeeld aan dat ze zich altijd zo hebben gevoeld. Daarnaast zijn er onderzoeken die wijzen op biologische markers van aseksualiteit, net zoals die bij homoseksualiteit bestaan (homomannen hebben vaker oudere broers bijvoorbeeld). Het ligt daardoor voor de hand om aseksualiteit te zien als een unieke seksuele oriëntatie. Het probleem is alleen dat aseksualiteit soms tijdelijk is.
Seksualiteit is in het verleden te vaak gemedicaliseerd en gepathologiseerd. Anders zijn dan de meerderheid is echter geen kwaal. Het labelen van jezelf heeft voordelen: je kunt strijden voor erkenning, zowel politiek als sociaal. Maar zo’n label is ook een generalisatie die geen recht doet aan verschillen binnen een groep. Het is bovendien onduidelijk wat aseksualiteit als identiteit inhoudt. Maar wat het is, is uiteindelijk onbelangrijker dan accepteren dat het er is.
Deze column verscheen eerder in Folia.