We kijken verkeerd naar pesten

Online pesten, ook wel cyberbullying, duikt voortdurend op in de media. Deze week was er ontsteltenis rond Tim Ribberink. Zijn ouders publiceerden in zijn rouwadvertentie een deel van zijn afscheidsbrief, waarin hij schreef dat hij zijn hele leven was gepest. Een paar weken terug was er de zelfmoord van de Canadese Amanda Todd. In een schokkende video legde ze klinisch uit hoe ze gepest werd. Je kunt niet anders dan het afschuwelijk vinden. Dat is dan ook de reactie van het grote publiek: wat vreselijk, wat erg, dit moet gestopt. Hartverwarmend. Maar helpt het ook?

Nooit eerder was er zo veel aandacht voor pesten. Sterker nog, er is een complete industrie rond pesten ontstaan. Anti-pesten-experts verkopen spreekbeurten, organisaties verhandelen lespakketten en de entertainmentindustrie verdient goed geld met zieligheidsverhalen, zoals met de commerciële documentaire Bully of het tv-programma Gepest van RTL.

Nergens hoor je mensen zeggen dat pesten goed is. Toch wordt er nog heel veel gepest. In Nederland, zo blijkt uit recent onderzoek van de Universiteit van Amsterdam [PDF, samenvatting], zegt 35 procent van de 10 tot 17-jarigen aan wel eens gepest te zijn. De helft daarvan zegt dat dat ook wel eens op internet is gebeurd. Zowel online als offline gaat het vooral om beledigen, roddelen en buitensluiten. Het is onduidelijk of de daders anoniem zijn. In dit UvA-onderzoek wist 85 procent van de jongeren door wie zij gepest werden; onderzoek van de GGD Limburg [PDF] uit 2006 stelt echter dat 80 procent van de respondenten hun daders niet kende.

Hoe komt het dat pesten ondanks alle aandacht nog zo’n groot probleem is?

In 2006 deed ik voor mijn promotieonderzoek naar meisjescultuur veldwerk in groep 8. Een meisje vertelde me:

“Als je gepest wordt zeg maar, kan dat erge gevolgen hebben daarop, maar ook na schooltijd. Dat is wel erg. Op films zie je ook dat die kinderen ook misschien wel zelfmoord aan het plegen zijn, dus dat is wel erg. Als je alleen maar daardoor… omdat je dik bent, daardoor ga je je minderwaardig voelen dan anderen, dan is dat geen reden om zelfmoord te gaan plegen.”

Met de normen van dit meisje zit het wel goed. Ze keurt pesten duidelijk af. Maar gek genoeg was dit meisje de grootste pestkop van de klas. Haar voorbeeld is een aanwijzing dat er met een campagne om mensen te overtuigen dat pesten slecht is, mogelijk onvoldoende valt te behalen. Het bewustzijn is er, maar de daden stemmen niet overeen.

De effectiviteit van de vele programma’s is twijfelachtig. Onderzoekers van de Universiteit Utrecht [PDF] kwamen tot deze onthutsende conclusie:

“[G]een van de antipestprogramma’s werkt met prestatie-indicatoren. In principe kan dan ook niet precies worden vastgesteld in hoeverre de doelstellingen van het programma zijn behaald. Het blijft dan gissen naar de effectiviteit van de interventie en ‘best practices, principes en/of programma’s’ zijn dan niet aan te wijzen” (p. 85).

In de ophef en in lespakketten over pesten gaat het steeds over duidelijke slachtoffers en duidelijke daders. Maar volgens onderzoeker danah boyd [samenvatting] vertroebelt dat onze blik. Amerikaanse tieners spreken liever van ‘drama’ dan van pesten. Dat klinkt in het Nederlands erg, maar voor Amerikanen is het pesten daarmee in één klap minder beladen. Het is een spel, in plaats van een doelgerichte actie om een ander te beschadigen.  Deze jongeren doen dit om een onderscheid te maken tussen hun praktijken en die van volwassenen, en om een slachtofferrol te vermijden. Door iets drama te noemen, wordt de emotionele impact van de handeling afgedaan als onbeduidend. Hierdoor kan degene die mikpunt is zijn gezicht redden in plaats van in een slachtofferrol geduwd worden.

De strikte scheiding tussen slachtoffer en dader heeft nog een nadeel. Er wordt zelden gekeken naar de slachtoffers. Dat is taboe omdat het de schijn wekt het slachtoffer verantwoordelijk te maken . Recent Amerikaans onderzoek [abstract] doet dit wel. Het geeft een opmerkelijk inzicht: de slachtoffers zijn bijna allemaal close met hun pestkoppen.

Misschien komt pesten ondanks alle aandacht nog steeds zo veel voor omdat we er verkeerd naar kijken. De boodschap dat pesten slecht is zit er bij iedereen in. Het is dus zinloos geld aan nog meer dure bewustwordingscampagnes te besteden. Laten we eens voorbijgaan aan de strikte tegenstelling tussen dader en slachtoffer – een tegenstelling waaraan jongeren zich proberen te ontworstelen. Laten we eens scherper kijken naar onderlinge relaties. Het meisje uit mijn onderzoek was eerst vriendinnen met haar slachtoffer. Zij vond het nu gelegitimeerd om haar te pesten omdat het meisje steeds klikte bij de meester. Voor een effectieve bestrijding van pesten moeten we het perspectief van kinderen en jongeren zelf gebruiken.

Concreet betekent dit dat opvoeders – docenten, sportcoaches, makers van lespakketten – moeten gaan praten met pesters. Waarom vonden zij het pesten geoorloofd? Wat gebeurde er precies? Waarom was juist deze persoon het doelwit? Dit betekent ook dat er een veilige omgeving gecreëerd moet worden waarin pesters dit durven te vertellen, zonder dat ze worden weggezet als opperschurk. Het betekent ook dat ouders zich bewust moeten zijn dat hun kind zowel pestkop, meeloper als slachtoffer kan zijn, en zich moeten realiseren dat die rollen wisselen. Én het is belangrijk dat de resultaten van lespakketten met behulp van pedagogen duidelijk meetbaar worden zodat duidelijk wordt wat werkt en wat niet. Pesten is ingewikkeld. Pestkoppen en gepeste jongeren zijn niet te reduceren tot moedwillende slechteriken en onschuldige slachtoffers. En pesten is al helemaal niet te stoppen door simpelweg te retweeten hoe afschuwelijk het is als iemand zelfmoord pleegt.

Dit stuk verscheen zaterdag 10 november 2012 in de Volkskrant.