Hoe de sportwereld zich vastklampt aan biologische leugens

Biologie is duidelijk, het lichaam liegt niet. Je hebt mannen en je hebt vrouwen, zo worden we geboren, zo zijn we gemaakt. Daar moet je niet aan willen tornen, want daar kan je niet aan tornen. De biologie ís. Het zijn de woorden die worden opgeworpen als feministen zoals ik wijzen op de sociale constructie van sekse en gender. Maar het is een positie die onhoudbaar is, want onjuist. Dat laat de kwestie rond atlete Caster Semenya helder zien.

Vrouw-zijn betekent dat je iets niet hebt. Een foetus zonder piemel is een meisje. In werkelijkheid zit dit veel ingewikkelder in elkaar. Er is variatie in de natuur, en dat betekent dat er mensen geboren worden met geslachtskenmerken die niet eenduidig in het ene of het andere hokje in te delen zijn.

Voorafgaand aan de toewijzing van geslacht bij de geboorte, heeft het embryo al een hele reis afgelegd. Ook hier telt het niet-hebben: als het Y-chromosoom ontbreekt, is het een meisje. Chromosomen geven daarna de geslachtsklier de instructie om of testikels, of eierstokken te ontwikkelen. Overigens is het proces van man of vrouw worden niet af bij de geboorte. In de puberteit moeten de juiste hormonen ‘aan’ gaan: oestrogeen voor meisjes, testosteron voor jongens.

De Amerikaanse bioloog Anne Fausto-Sterling heeft uitgebreid geschreven over hoe de natuur een man maakt. Ze laat daarbij ook zien waar het allemaal ‘mis’ kan gaan. De verbinding tussen chromosomen, voortplantingsorganen en hormonen verloopt niet altijd zoals de handboeken het voorschrijven. Er worden ‘jongetjes’ geboren met ‘vrouwelijke’ chromosomen en vice versa. En oestrogeen en testosteron zijn niet exclusief voorbehouden aan respectievelijk vrouwen en mannen.

De Zuid-Afrikaanse Caster Semenya ondervindt de gevolgen van die ‘foute’ verbinding aan den lijve. Al tien jaar lang is er gedoe over haar sekse. Het Hof van Arbitrage voor Sport oordeelde op 1 mei dat Semenya te veel testosteron heeft om mee te mogen doen aan vrouwenatletiekwedstrijden. Het Hof heeft bepaald dat de internationale atletiekfederatie een testosteronlimiet voor vrouwen mag instellen. Als Semenya toch wil deelnemen, zal zij remmers moeten slikken.

Het is veelzeggend dat het Hof meent dat Semenya middelen moet gebruiken om haar tak van sport weer eerlijk te maken. De sportwereld gaat immers gebukt onder dopingschandalen waarbij de visie nu juist is dat middelen sport unfair maken.

De verontwaardiging over de beslissing is gelukkig groot. ‘Sport is oneerlijk’ schrijft sportjournalist Willem Vissers bijvoorbeeld in de Volkskrant. Toch legt hij zich bij de beslissing neer: ‘Zij is in hormonale zin een man, door haar afwijking. Vrouwensport is een andere categorie.’ Let op hoe Vissers hier de aanwezigheid van iets (te veel testosteron) gebruikt om Semenya te diskwalificeren voor de categorie vrouw. Maar Semenya is helemaal geen hormonale man. Zoiets bestaat überhaupt niet.

In een opiniestuk voor The New York Times naar aanleiding van de uitspraak ontmaskeren Rebecca Jordan-Young en Katrina Karkazis de testosteronmythe. De kern van hun wetenschappelijk onderbouwde betoog is dat testosteron niet ‘het mannelijk geslachtshormoon’ is, noch is een hoog testosteronniveau de sleutel tot sportief succes. Testosteron doet namelijk veel meer dan sperma aanmaken.

Het hormoon heeft uiteenlopende effecten op verschillende lichamelijke functies zoals de stofwisseling, spieren en het brein, leggen Jordan-Young en Karkazis uit. Dat geldt voor beide seksen, want ja, ook vrouwen maken testosteron aan en hebben dit nodig om gezond te blijven. Uit verschillende studies naar het effect van testosteron op sportprestaties komen geen eenduidige verbanden. Bijzonder relevant hier is een onderzoek van de Wereldatletiekbond zelf, waaruit bleek dat in zes van de elf onderzochte wedstrijden vrouwen met een lager testosteronniveau juist beter presteerden.

Het testen op geslacht bij sporttoernooien gebeurt alleen bij vrouwen. Logisch, want de angst is dat een man als vrouw deelneemt om zo meer kans te hebben om te winnen. Mannen zijn immers beter in sport. Dat is een historische waarheid, maar het is maar de vraag of dit ook een natuurlijke wetmatigheid is. Vrouwen mochten vroeger namelijk niet sporten.

Pas sinds 1900 mogen vrouwen deelnemen aan de Olympische Spelen. Ieder jaar worden zij sneller en beter. De wereldrecords op de marathon liggen nu nog maar veertien minuten uit elkaar, terwijl dat in 1963 een uur en twaalf minuten was. De snelste vrouwentijd werd overigens gelopen op een gemengd parcours, waar de vrouwen dus samen met de mannen liepen.

Socioloog Judith Lorber, die veel heeft gepubliceerd over biologische verschillen, betoogt dat het eigenlijk heel gek is dat mannen en vrouwen bij de meeste sporten apart moeten deelnemen. Bij boksen en worstelen laten we een lichtgewicht het niet opnemen tegen een zwaargewicht. Het is redelijker om sporters in te delen op klasse – naar lengte, gewicht, of wat van toepassing is – dan op geslacht.

Sport draait om het vieren van variaties in lichamen. Het is dan ook onverdedigbaar dat juist die sector blijft vasthouden aan een rigide seksesysteem en zelfs niet te beroerd is om te knoeien met de natuur, alleen om hun achtergebleven denkbeelden overeind te houden. Waar zouden ze bang voor zijn?

Deze column verscheen eerder op Brainwash.