Wat zijn we lief voor elkaar

coronavirus wcrolWe zijn nijver. De academische wereld is een hevig geïndividualiseerde, hyper-competitieve rattenrace waar een gebrek aan baanzekerheid van alle collega’s concurrenten maakt. Een productiefaciliteit vol perfectionisten die allemaal altijd aan staan. Door-door-door, totdat een virus een spaak in het wiel stak en de machinerie staakte. Ineens zijn we poeslief voor elkaar.

Vrijwel direct nadat bekend werd gemaakt dat het onderwijs naar cyberspace werd verschoven, zag ik mensen elkaar bemoedigen. Exemplarisch is een draad op Twitter van hoogleraar Communicatiewetenschap Rens Vliegenthart van 16 maart – de maandag na de aankondiging dat universiteiten ‘gesloten’ werden. Maak je geen zorgen over je onderzoeksoutput, is zijn boodschap als directeur van de onderzoeksschool, richt je op de dingen die er nu toe doen – zoals voor je geliefden zorgen en de fuck at home blijven.

Docenten waarschuwden elkaar: het is niet mogelijk om in een paar dagen of een week net zo prachtig online onderwijs te geven als je normaal in een collegezaal doet. Het kost veel tijd om een goede video te maken en tools optimaal in te zetten. Zoals onderwijskundige Pedro de Bruyckere op zijn blog schrijft: ‘Leg de lat hoog, maar wees niet onredelijk. Doe je best, maar besef dat dit geen sprint is, maar een marathon kan worden waarbij niemand geholpen wordt als je crasht.’

Het bindend studentadvies wordt opgeschort en ineens bleek het mogelijk om aanwezigheidsverplichtingen voor studenten te laten vervallen en deadlines te verschuiven. Waar we doorgaans vaak wantrouwend staan tegenover ziekte – afgestompt als we zijn door eindeloze smoesjes – zijn we nu heel erg begaan met het welzijn van onze studenten, die soms ziek zijn, soms gescheiden zijn van hun familie of soms allebei.

In een vlaag van arrogantie kenmerkend voor een ancien régime ijverde de Vereniging van Universiteiten (VSNU) bij het ministerie voor een erkenning als vitaal beroep. Hun lobby viel verkeerd. Op ScienceGuide publiceerden Willem Schinkel, Marguerite van den Berg, Sarah Bracke, Irene van Oorschot, Rogier van Reekum en Jess Bier een opinieartikel waarin ze betogen dat we helemaal geen essentieel beroep uitoefenen en uitleggen dat die claim de broodnodige solidariteit mist.

Het stuk werd veelvuldig gedeeld en geprezen, omdat Schinkel et al. aanvoelen wat de VSNU overduidelijk ontgaat: we zijn voorbij business as usual. De wereld zoals we die kenden is niet meer, alles gaat niet het gangetje gaan zoals het ging. De stille straten en de lege lucht getuigen van de storing. In de afgelopen twee weken is de wereld met horten en stoten tot stilstand gekomen. Geen reset zoals sommigen hopen, maar een onderbreking.

Bij de thuiswerkende academici is dat nog niet helemaal doorgedrongen. Bezige miertjes als we zijn, kijken we wat er te redden valt voor het komend blok. Veel mensen hebben het daardoor drukker dan ooit, ondanks alle geruststellingen dat dit nu even niet hoeft.

Beter luisteren we naar de piepende remmen, staan we onszelf toe om te voelen hoe de druk langzaam van de ketel gaat. Want als de stoom helemaal opgetrokken is, zullen we een gemeenschap zien die om elkaar geeft en die voor elkaar zorgt, die elkaar misschien zelfs wel liefheeft. Laten we dat maximaal koesteren en onthouden, want voor je het weet moeten we weer overcapaciteit draaien.

Deze column verscheen eerder op Folia.