Het leven lijkt dood, maar ik ben het niet

Mijn leven heeft vertraging. Het oponthoud duurt al een tijdje en ik leg me er al bijna even lang bij neer. Zoals het geen zin heeft om op me te winden als een trein stilstaat in een weiland of snelheid moet minderen wegens een passerende ICE, zo heeft het ook geen zin me druk te maken om coronastremming. Ik wentel me in mijn winterslaap.

Toen deze week de maatregelen verlengd werden, haalde ik mijn schouders op. Het raakt me niet persoonlijk. Ik heb geen kinderen en dus ligt mijn leven niet overhoop nu ouders ineens voltijds ouders moeten zijn. Ik ging sowieso niet naar winkels. Ik heb geen verkering en dus kan hij me ook niet de neus uit komen. Ja, de kapper belde vanochtend dat mijn afspraak van 20 januari niet door kan gaan. Nu zit ik dus nog langer met haar dat veel te vrouwelijk is voor mijn genderidentiteit en hoewel ik daarvan baal, kan je het niet echt leed noemen.

Ik denk aan de mensen die wel zwaar geraakt worden. De DJs en andere dienaars van de nacht, die al bijna een jaar niet gewerkt hebben. De mensen die een geliefde verloren aan corona, of die corona overleefden maar nog steeds klachten hebben. De kinderen met een leerachterstand die met elke dag ‘thuisonderwijs’ groter wordt en waar ze de rest van hun leven nadeel van ondervinden. Mijn hart bloedt voor hun maar het geeft me ook perspectief.

Mijn leven bestaat al een tijd alleen op de middellange termijn. Alle dingen die ik leuk vind waren al tot nader order verboden. Ik mag niet samenklitten met mijn vrienden, ik mag niet dansen met mijn kennissen, ik mag niet tongen met vreemden. Plannen smeden heeft geen zin. Soms cijfer ik mee met het RIVM. ‘Straks zal het mogelijk zijn om ongeveer een miljoen coronavaccins per week te zetten,’ lees ik. Maar ja, wanneer is straks?

Tijdens corona kun je nergens op rekenen en dat doe ik al sinds de tweede golf niet meer. Het vaccin is de verlosser, de gamechanger, de troef. Maar Hugo de Jonge heeft hem in handen en Hugo de Jonge blijkt al een jaar niets te kunnen. Ik ben niet verslagen, niet eens meer aangeslagen. Ik accepteer mijn lot en beweeg mee met de stromingsloze stroom. We gaan vanzelf wel weer rijden, net als de trein vroeger. Vroeger, toen ik nog dingen deed.

Tegelijkertijd is mijn leven nog nooit zo op orde geweest. Mijn hele huis is geschilderd. Ik ben fit en ik wandel en ik kook en ik ben gezond en ik ga op tijd naar bed (okay soort van) en ik lees boeken en ik doe de afwas en in mijn gloednieuwe kasten is al mijn kleding perfect gemariekondo’d weggeborgen. Het virus heeft me tot volwassenheid gedwongen.

Het nieuwe normaal is allang niet meer nieuw, maar het zal nooit normaal worden. Ik besta, maar ook weer niet echt. Ik ben in winterslaap, als een egeltje spaar ik mijn energie. Ik teer op mijn reserves van een leven lang plezier en wacht tot de spreekwoordelijke lente komt. Het schijnt dat winterslaapdieren dan zin hebben om te paren. Tot die tijd draai ik me nog eens lekker om in mijn holletje. Het leven lijkt dood, maar ik ben het niet.

Deze column verscheen eerder in Folia.