Mag je als docent bevriend zijn met je studenten?

Nooit zal ik vergeten dat een hoogleraar ons na de laatste bijeenkomst meenam naar de Academische Club, toen nog een statig, exclusief establishment voor leden en hun introducés. Ik herinner me het niet alleen vanwege die gewichtigheid en de chesterfields, maar ook omdat we er amicaal en gelijkwaardig spraken. Ik voelde me bijzonder en erkend.

De studie Frans is een kleine opleiding, net zoals mijn doctoraalspecialisatieVoor de invoering van de bachelor-master-structuur, was een studie opgedeeld in een propedeuse en een doctoraalfase. Na het eerste jaar volgde een specialisatie van drie jaar, in plaats van andersom. dat was – zo’n twintig studenten per jaar. Dat betekent dat iedereen elkaar kent en als iedereen elkaar kent, wordt het al snel vriendschappelijk, en vriendschappelijk heeft een risico van te vriendschappelijk. Dat kan vruchtbare grond zijn voor een milieu waarin grensoverschrijdend gedrag niet alleen gebeurt, maar ook wordt goedgepraat. Bij de studie Frans: een cultuur van angst, hiërarchie en fluïde grenzen.

Ik ben onthutst over weer verhaal over seksueel geweld aan de UvA, ik ben blij dat de betreffende docent op non-actief is gesteld, ik ben bezorgd over het uitblijven van structurele veranderingen. Daarmee val ik in herhaling. Deze column is dus niet nog een j’accuse, maar een overpeinzing over omgangsvormen.

De klachten bij Frans gaan namelijk over meer dan deze docent. Oud-studenten spreken over een ‘keerzijde van persoonlijk contact’, over voorkeursbehandelingen en lievelingetjes, over kwetsbaarheid en afhankelijkheid, over lastige situaties. Hoe vriendschappelijk mag je als docent zijn met je studenten?

De UvA heeft een uitgebreide code of conduct, met veel aandacht voor machtsrelaties – ter vergelijking, dat is aan de UU niet zo. Docenten dienen zorg te dragen voor de sociale veiligheid, te onthouden dat zij rolmodellen zijn en in te grijpen bij ongepast of onacceptabel gedrag. Daarnaast staat er, enigszins verstopt onder het kopje ‘Relationships with colleagues’, dat ‘they do not mix personal and professional relationships with their students and PhD students’.

Aangezien wat aan die passage voorafgaat handelt over romantische en familierelaties met collega’s, is hieruit op te maken dat docenten geen liefdesrelatie met hun studenten mogen hebben, al wordt dit niet expliciet gemaakt. Het document zwijgt over seks. Daarbij vind ik de woordkeuze voor ‘mix’ opmerkelijk. Ik weet immers niet of ik überhaupt een persoonlijke relatie met een student mag aangaan, dat wil zeggen: of ik een vriendschap met een van mijn studenten mag ontwikkelen.

De universiteit is geen school, een docent is geen leraar. Studenten zijn (doorgaans) jonge mensen die (doorgaans) geïnteresseerd zijn in het object van studie. Het is prettig om in het gezelschap te verkeren van mensen met een gedeelde interesse, zoals de studenten Frans ook aangeven over hun onderlinge contacten. Hoe ver mag je als docent daarin meegaan?

Ik praat hier wel eens over met collega’s waarmee ik vrienden ben – want de universiteit is bij uitstek een plek waar je vrienden wordt met je collega’s. De meningen zijn verdeeld, behalve over één punt: alles dat ruikt naar problemen, stuur je naar de studieadviseur. Altijd. Een student kan zijn hart bij je luchten over een depressie, overleden kat of verbroken verkering, maar je verwijst ze altijd door. Verzoeken voor uitstel of andere speciale behandeling gaan ook via die weg.

Zelf zie ik mijn lopende studenten als kinders, ongeacht hun leeftijd: vanwege de autoriteitsverhouding zie ik ze anders dan ‘gewone’ jonge mensen. Dat verandert met het niveau: Promovendi in een schrijfcursus zie ik meer als collega’s, net als student-assistenten, en daarmee meer als potentiële vriend. Maar misschien is dat wel hartstikke verkeerd? Er is immers nog steeds sprake van een autoriteitsverhouding.

Bij kleine vakken vind ik het leuk om aan het einde met z’n allen wat te gaan drinken. Ook dan voel ik me erg de docent, maar bij zo’n afsluitende borrel is de sfeer wel anders dan tijdens de les. Losser en gemoedelijker, precies de voedingsgrond waarin persoonlijk en zakelijk niet meer te scheiden zijn. Als student vond ik het fantastisch dat de hoogleraar die scheiding overboord gooide, maar dat was toen, ergens in de jaren 90. De huidige, informele, ongeschreven universitaire omgangsregels stammen uit de vorige eeuw, de samenleving is inmiddels sterk veranderd. Wordt het niet eens tijd ze uit te schrijven, te bediscussiëren en wellicht aan te passen?

Deze column verscheen eerder in Folia.