‘How do you become critical writer’, vroeg de spion me. Poeh lastige vraag, dacht ik. Na een korte overpeinzing antwoordde ik dat het natuurlijk allemaal begint bij kritisch lezen. Ik had mazzel want hij vroeg niet door. Nu, zeven jaar verder, heb ik nog steeds geen goede instructie over kritisch denken.

De spion was vermoedelijk op ons afgestuurd om te achterhalen of ik gewoon gezellig met mijn toenmalige verkering op reis was in Oezbekistan of dat ik er diepgravende journalistieke producties kwam maken. Gelukkig geloofde hij het eerste, en zat hij als – waarschijnlijk gezagsgetrouwe – overheidsmedewerker helemaal niet te wachten op een workshop van mij om deze vaardigheid te ontwikkelen.

Kritisch denken is een van de hoogste waarden van de wetenschap, eentje waarmee alle universiteiten reclame maken. Zo claimde de UvA in een campagne ‘competente rebellen’ voort te brengen. Toen dat daadwerkelijk het geval was en ontevreden studenten het Maagdenhuis bezetten, bleek dat het helemaal niet de bedoeling was dat onze kinders zelfstandig en scherp nadenken. Wat is kritisch denken dan wel?

Kritisch denken is nodig om ‘weerbaar en wendbaar’ te zijn, lees ik in de strategische agenda #hbo2025 Wendbaar & Weerbaar van de Vereniging Hogescholen [PDF]. Alleen dan kan je de uitdagingen van de nabije toekomst aan. Dit staat mijlenver af van de manier waarop bij Mediastudies naar kritisch denken wordt gekeken. Daar laten we studenten Adorno lezen en betekent kritische theorie ongeveer zoveel als nadenken over hoe het kapitalisme ons tot slaaf maakt.

Zoveel disciplines, zoveel definities. ‘Criticism has become a very difficult word’, schreef Raymond Williams al in 1976 in zijn Keywords. In algemene zin betekent het zoeken naar fouten en gebreken. Dit lijkt de invulling te zijn van bèta’s. Kritiek is dan negatief: uitvinden wat er mis is met de methode bijvoorbeeld. Maar volgens Williams is kritiek ook verbonden met smaak, denk aan het gezaghebbende oordeel van een literair criticus. Een kritische analyse kan dus ook positief uitpakken in een waarderend oordeel.

Avans-docent Eva Janssen promoveerde begin dit jaar op kritisch denken doceren in het hoger onderwijs. Zij operationaliseert het als ‘het vermogen om bias in redeneren en besluitvorming te vermijden’. Zo’n invulling is handig als je mensen klaarstoomt voor het bedrijfsleven, waar ze in de pas van hun chef moeten lopen en dieper nadenken uit den boze is. Maar als ik er kritisch naar kijk, stel ik vast dat die operationalisatie het cognitieve aspect bevoordeelt en het politieke wegwenstdenkt.

Kritisch denken is dus een loze term geworden, consultancygewauwel uit het rijtje leven lang leren, duurzame welvaart en rechtvaardigheid. De les uit die verschillende opvattingen is dat we ons moeten afvragen wie deze competentie vraagt en waarom. Gaat het simpelweg om zuiver redeneren of het opsporen van fouten, of draait het om het socialiseren van een student in een bepaalde discipline? In alle gevallen begint kritisch denken, ironisch genoeg, bij het nadoen van je docenten. Voordat je in staat bent om zelf een positie in te nemen, moet je leren welke posities er zijn.

Het is, net als in het geval van de competente rebellen, eigenlijk nooit de bedoeling dat je je nieuw aangeleerde vaardigheden inzet om een systeem af te wijzen. Wat dat betreft had ik niets te vrezen daar in Oezbekistan. Als de spion wel had aangedrongen, had ik hem eenvoudig kunnen voordoen hoe je feilloos en doorwrocht beredeneert waarom Oezbekistan het beste land ter wereld is.

Deze column verscheen eerder in Folia

(c) foto: Linda Duits