‘En dan noemen we het Op z’n Duits’, stelde hoofdredacteur Altan Erdogan voor. Het was augustus 2015 en ik was dolblij met mijn nieuwe plek in Folia. Als student was ik al trouw lezer van het beste universiteitsblad van Nederland en het was een grote eer nu zelf een pagina te mogen vullen.

Folia past bij mij. Het imago van linkse UvA-wetenschapper kleeft aan me, ook al ben ik al tien jaar verbonden aan de Universiteit Utrecht. Dat komt wellicht omdat ik mijn eerste columnistenstapjes zetten bij DeJaap, later ThePostOnline, en ik daar in die rol was getypecast. Bij Folia kon ik me perfect met dat imago vereenzelvigen, zonder enige ironie of indekking.

We spraken af dat ik de ene week over seks zou schrijven en de andere week over de academische wereld. Het was voor lezers aanvankelijk verwarrend, menigeen vond die sekscolumns te frivool voor een studentenmagazine. Uiteindelijk wende iedereen eraan, zelfs de door mij zo gekoesterde haters. Hun toewijding zal ik nooit vergeten, ze kleurden mijn plek.

Er ligt een mooi corpus aan columns waar ik trots op ben – de ene wat meer dan de ander. Je kunt niet iedere week pieken, hield ik mezelf voor als ik wat minder tevreden was. Gek genoeg deed zo’n column het dan toch goed. Omgekeerd zijn er ook stukken die ik zelf ontzettend mooi vind maar waarvoor nauwelijks lof kwam. Zo is het schrijversbestaan.

Kenmerkend voor mijn stijl is dat ik weinig over mezelf loslaat. Ik ben geen voorstander van alles persoonlijk maken, ook al hoort dat het genre. Een deel van mijn columns is gebundeld in Seks op z’n Duits en hoewel mijn naam in de titel zit, gaat het nauwelijks over mij. Een scharrel nam het ooit mee op vakantie. Bij terugkomst vroeg ik hem wat hij over mij geleerd had. ‘Dat je van onderzoek houdt’, zei hij. Dat klopt.

Toch heb ik nergens zoveel van mezelf laten zien als op deze plek. In de niet-aflatende coronacrisis heb ik een aantal columns geschreven over hoe ik die specifieke periode beleefde. Het onderwerp drong zich – uiteraard – op de voorgrond en het overheerste al onze levens. Zelf vind ik dit mijn beste stukken, wat ik dan weer vervelend vind omdat het blijkbaar toch werkt om persoonlijke columns te schrijven.

Ik had gehoopt dat die reeks over corona inmiddels allang klaar zou zijn maar daar denkt het virus anders over. Toch stap ik op.

Meer dan zes jaar heb ik op deze plek gediend met zo’n 280 columns. Zes jaar is lang en het moment is gekomen om afscheid te nemen. Ik heb over ieder aspect van de universiteit geschreven, al mijn visies op onderwijs gedeeld. Van de catering tot de fietscoach, van juniordocent tot plagiaat. De koek is op. Het gebeurde steeds vaker dat ik een onderwerp had en me tijdens het schrijven realiseerde dat ik daar al eens over gecolumnd had. Daarbij helpt het niet dat er weinig verandert aan de universiteit. We moeten altijd bezuinigen, en stemmen daar steeds mee in.

Folia past bij mij, maar het is tijd plek te maken voor iemand anders. Ik verheug me erop nieuw talent te lezen, waar Folia tenslotte om bekend staat. Ik ben benieuwd waarover mijn opvolger gaat schrijven en ik zal hun stukken met plezier lezen. Zelf heb ik zin eventjes geen onderwerpen meer te hoeven bedenken. Maar mijn pen zal ik niet aan de wilgen hangen, jullie zijn niet van me af. Want als er één ding uit mijn columns spreekt is, is dat ik altijd wat te zeggen heb. Bedankt dat jullie zo lang hebben willen luisteren.

Deze column verscheen eerder in Folia

(c) foto: Daniel Rommens